ECLI:NL:CBB:2011:BT8940
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen toevoeging ongebruikt melkquotum aan nationale reserve wegens IBR-besmetting afgewezen
Appellant, een biologische melkveehouder, voerde aan dat een ernstige uitbraak van infectieuze bovine rhinotracheïtis (IBR) sinds 2006 de productiecapaciteit van zijn bedrijf blijvend beïnvloedde, waardoor hij niet aan de 70%-leveringseis van zijn melkquotum kon voldoen. Hij stelde dat sprake was van overmacht of een tijdelijke beïnvloeding van de productiecapaciteit, en dat het besluit tot toevoeging van het ongebruikte quotum aan de nationale reserve in strijd was met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.
Verweerder, het Productschap Zuivel, wees dit beroep af omdat de IBR-problematiek al meerdere jaren bestond en niet als een abnormale, onvoorzienbare omstandigheid kon worden aangemerkt. De tijdelijke beïnvloeding van de productiecapaciteit werd niet erkend omdat de situatie niet incidenteel was maar langdurig. Ook was volgens verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gegrond omdat de situatie in de voorgaande heffingsperiode anders was.
Het College oordeelde dat de situatie niet als tijdelijk kon worden beschouwd en dat de IBR-uitbraak na vier jaar niet meer als onvoorzienbaar kon gelden. Tevens stelde het College dat appellant de gevolgen van IBR had kunnen ondervangen, onder meer door vervanging van vee met gangbaar vee, wat door de biologische certificering in beperkte mate was toegestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalden eveneens. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de toevoeging van zijn ongebruikte melkquotum aan de nationale reserve wordt ongegrond verklaard.