5. De beoordeling van het geschil
In geschil is het besluit van verweerder om te volstaan met de afgifte aan appellante van een S&O-verklaring voor de periode augustus tot en met december 2009, en deze verklaring niet te doen gelden voor de maand juli 2009 wegens een te late indiening van de aanvraag.
Het College stelt voorop dat de aanvraag van appellante betrekking heeft op de periode juli tot en met december 2009. Gelet hierop diende appellante ingevolge het bepaalde in artikel 22, vierde lid, Wva, de aanvraag bij verweerder uiterlijk vóór 1 juni 2009 te hebben ingediend teneinde voor de volledige aangevraagde periode in aanmerking te komen voor een S&O-verklaring. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag eerst op 3 juni 2009 door verweerder is ontvangen. Voorts is niet in geschil dat de datum op het poststempel op het verzendbewijs van TNT Post 2 juni 2009 is, welke datum ook blijkt uit het track & tracesysteem van TNT Post.
Verweerder hanteert het beleid dat een aanvraag ook tijdig is ingediend in de zin van artikel 22, vierde lid, Wva, indien deze tijdig ter post is bezorgd. Dit beleid is naar het oordeel van het College niet in strijd met de Wva. Naar het oordeel van het College is het, indien een aanvraag na de uiterste indieningstermijn is ontvangen, aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de aanvraag tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de indieningstermijn, ter post is bezorgd.
Appellante heeft daartoe aangevoerd dat het poststuk op 29 mei 2009 op een postkantoor van TNT Post ter aangetekende verzending is afgeleverd door een secretaresse van VMW Taxand. Naar het oordeel van het College heeft appellante met de door haar ingebrachte bewijsstukken deze stelling niet voldoende aannemelijk gemaakt.
De verklaring van de betreffende secretaresse is hiervoor niet voldoende, nu deze niet wordt ondersteund door objectieve gegevens. De door appellante genoemde brieven van 29 mei 2009 kunnen niet als zodanig dienen, aangezien de daadwerkelijke verzenddatum hieruit niet kan worden afgeleid.
Bij persoonlijke afgifte van de aanvraag op het postkantoor ter aangetekende verzending had een afgifte-/verzendbewijs gevraagd kunnen worden, temeer nu het voor de aanvrager duidelijk was dat het betreffende poststuk vóór het weekend moest worden verzonden. Voor zover de secretaresse dit heeft nagelaten en is afgegaan op de mededeling van een medewerker van TNT Post dat het poststuk nog dezelfde dag zou worden verzonden, dient dit voor rekening en risico van appellante te komen.
Appellante heeft in beroep geen verklaring overgelegd van TNT Post waaruit een mogelijke onzorgvuldigheid van TNT Post in de verzending van het poststuk zou blijken. Dat TNT Post op verzoek van appellante niet bereid is zo'n verklaring af te geven, kan er niet toe leiden dat verweerder desalniettemin uit zou moeten gaan van onzorgvuldigheid in de verzending.
Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht het standpunt gehandhaafd dat de aanvraag is ingediend op 2 juni 2009. Ingevolge het bepaalde in artikel 22, vierde lid, Wva heeft verweerder derhalve terecht vastgehouden aan de afgifte van de S&O-verklaring voor de periode augustus tot en met december 2009. Dit leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.