3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het College ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of appellante ontvankelijk is in haar beroep. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
3.2 Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat namens de niet bestaande vennootschap DTC beroep is ingesteld, zodat het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond dient te worden verklaard. Volgens verweerder kan een niet bestaande vennootschap niet als belanghebbende worden aangemerkt.
Appellante betwist deze stellingname van verweerder en voert aan dat nu verweerder bij vergissing het bestreden besluit ten name van DTC in plaats van Dutch Commodity Trading B.V. heeft gesteld, verweerder haar niet kan tegenwerpen dat zij verweerder daarin is gevolgd.
Nu verweerder erkent dat het bestreden besluit ten onrechte ten name van DTC is gesteld en dat de geadresseerde Dutch Commodity Trading B.V. had moeten zijn, kan verweerder zich naar het oordeel van het College niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat DTC beroep heeft ingesteld, althans Dutch Commodity B.V. dat heeft nagelaten. Het vorenstaande in aanmerking nemende zal het College om redenen van proceseconomie voor het vervolg er vanuit gaan dat het bestreden besluit is gericht aan Dutch Commodity Trading B.V. en namens Dutch Commodity Trading B.V. beroep is ingesteld.
3.3 Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat appellante in haar beroep niet-ontvankelijk is, nu uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat zij niet slechts is ontbonden per 14 oktober 2008, maar ook per 14 oktober 2008 is opgehouden te bestaan bij gebrek aan bekende baten. Appellante is volgens verweerder dan ook niet meer in liquidatie maar een "spookpartij".
Appellante betwist deze stelling van verweerder en voert aan dat er nog een bate is, te weten de aanspraak op de in het geding zijnde subsidie voor het project "Duurzame EnergieScan Dutch Trading Company B.V." en zij dus niet is opgehouden te bestaan. Dit betoog faalt.
Het College stelt vast dat B op verschillende momenten, onder meer in zijn verklaringen van 18 maart 2009 en 30 juni 2009, alsook tijdens het controlebezoek van verweerder op 22 februari 2007 heeft verklaard dat aanvang 2005 alle rechten en plichten van Dutch Commodity Trading B.V. zijn overgegaan op Entys Europe B.V.
Appellante en B hebben in de loop van de zitting, na aanvankelijk de juistheid van voornoemde verklaringen te hebben bevestigd, afstand genomen van diezelfde verklaringen, in die zin dat zij zich op het standpunt hebben gesteld dat Entys Europe B.V. aanvang 2005 enkel de voorraden van appellante heeft overgenomen, zodat de aanspraak op de in het geding zijnde subsidie in appellante is gebleven. Appellante heeft echter deze nadere stellingname op geen enkele wijze met feiten onderbouwd. Evenmin heeft appellante kunnen uiteenzetten waarom de desbetreffende verklaring ingrijpend afwijkt van hetgeen eerder op dit punt door B is verklaard en, in navolging daarvan, door appellante is aangevoerd. Het College zal daarom aan deze nadere stellingname van appellante voorbij gaan. Nu vaststaat dat is gesteld noch gebleken dat op 14 oktober 2008 nog (andere) baten aan de zijde van appellante aanwezig waren moet naar het oordeel van het College worden geconcludeerd appellante per die datum ook is opgehouden te bestaan. Dit betekent dat het beroep is ingesteld namens een niet (meer) bestaande rechtspersoon. Het vorenstaande in aanmerking nemende concludeert het College dat appellante in haar beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.