5. De beoordeling van het geschil
5.1 Ter beoordeling van het College staat of het besluit tot vermindering van de bedrijfstoeslag 2010 met een randvoorwaardenkorting van 1% in rechte stand kan houden. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
5.2 Op grond van de in rubriek 2.1 genoemde communautaire en nationale bepalingen is de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.
Tot de uit deze regelgeving voortvloeiende beheerseisen behoort de verplichting om bij de op het bedrijf aanwezige runderen, geboren na 31 december 1997, oormerken aan te brengen. Niet in geschil is dat appellant deze verplichting niet integraal heeft nageleefd. Weliswaar is de stier in kwestie kort na de geboorte geoormerkt, maar vast staat dat de oormerken los zijn geraakt en dat geen vervangende oormerken zijn aangebracht. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan de randvoorwaarde voor Europese inkomenssteun die in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, in samenhang met de relevante bepalingen van de Regeling identificatie en registratie van dieren, is gesteld. Dit betekent dat verweerder gehouden was om een randvoorwaardenkorting toe te passen.
5.3 Het uitgangspunt van het in Verordening (EG) nr. 1122/2009 neergelegde systeem is dat in geval van een niet-opzettelijke naleving die het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een korting van 3% wordt opgelegd. Verweerder heeft in dit geval op basis van de beoordeling van de controleautoriteit, die de niet-naleving blijkbaar als betrekkelijk licht heeft gekwalificeerd, het kortingspercentage verlaagd naar 1%. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van het College voldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van dit geval.
5.4 Voor zover appellant met het beroep heeft willen betogen dat aan hem in het geheel geen randvoorwaardenkorting had mogen worden opgelegd treft dit geen doel. De van toepassing zijnde regelgeving, bezien in samenhang artikel 6, aanhef en onder c, van de Beleidsregels normenkader GLB, biedt onder omstandigheden, indien de niet-naleving als van gering belang wordt beschouwd, ruimte om van de niet-naleving in het geheel geen werk te maken. Dit is nader uitgewerkt in de bijlage van de Beleidsregels. Volgens punt 7.2 van die bijlage, in de versie die gold ten tijde van het bestreden besluit, wordt met betrekking tot de identificatieplicht van runderen onder een niet-naleving van gering belang verstaan een merkverlies van maximaal 15% of 5 dieren mits de niet-naleving wordt hersteld. Weliswaar was in dit geval sprake van het niet hermerken van slechts één dier, maar daar staat tegenover dat appellant de niet-naleving niet heeft hersteld.
5.5 Verweerder heeft in de omstandigheid dat appellant de oormerken niet zelf durfde aan te brengen geen aanleiding hoeven zien om een randvoorwaardenkorting geheel achterwege te laten. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant zich desnoods bij het oormerken had kunnen laten bijstaan door een veearts. Dat appellant deze keuze niet heeft gemaakt komt voor zijn rekening en risico. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat er in dit geval geen aanleiding was om een randvoorwaardenkorting geheel achterwege te laten.
5.6 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.