5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep
5.1 Ter beantwoording van het College staat de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden.
Niet in geschil is dat het besluit van 28 december 2006 betreffende het in rekening brengen aan appellante van een heffing van € 78.600,- over het jaar 2006 overeenkomstig de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht Wet financiële dienstverlening, zoals gewijzigd met ingang van 1 juli 2006 (Stcrt. 2006, 138) door het niet tijdig instellen van een rechtsmiddel rechtens onaantastbaar is geworden.
5.2 Met betrekking tot de eerste grief van appellante overweegt het College als volgt.
De rechtbank heeft het besluit van 26 november 2009 waarbij appellante is bericht dat met de creditfactuur van 12 november 2007 de heffing is teruggebracht tot € 26.150,- aangemerkt als beslissing tot vermindering van de eerdere onherroepelijke heffing van 28 december 2006. Daarmee heeft de rechtbank naar het oordeel van het College tot uitdrukking gebracht dat bij het oorspronkelijke heffingsbesluit de wettelijke grondslag voor de berekening van de heffing is vastgesteld en bij het besluit tot vermindering met in achtneming van die wettelijke grondslag het verschuldigd bedrag is herberekend naar aanleiding van het door appellante op 15 oktober 2007 alsnog doen van opgave aan de AFM van het ingelegd vermogen op 31 december 2005. Bij het besluit tot vermindering is de wettelijke grondslag voor de berekening van de heffing niet opnieuw vastgesteld. Hieruit vloeit ook naar het oordeel van het College voort dat tegen het verminderingsbesluit gerichte bezwaren die zien op de wettelijke grondslag van de heffing geen doel kunnen treffen. Het betoog van appellante dat bij de beoordeling van haar bezwaar rekening dient te worden gehouden met haar beroep op de onverbindendheid van de algemeen verbindende voorschriften waarop de heffing is gebaseerd, faalt daarom.
Het voorgaande betekent dat alleen het in het verminderingsbesluit betrokken bedrag onderwerp van geschil kon zijn. Niet betwist is echter dat dit bedrag overeenkomstig de bij het onherroepelijke heffingsbesluit vastgestelde wettelijke grondslag is berekend.
De eerste grief treft geen doel.
5.3 Over de tweede grief van appellante die betrekking heeft op de vraag of AFM diende terug te komen van haar (gewijzigd) heffingsbesluit overweegt het College als volgt.
Een bestuursorgaan is slechts gehouden om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Een van de voorwaarden is dat door de belanghebbende nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die hem ten tijde van dat besluit niet bekend waren of hadden behoren te zijn. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Het College overweegt dat appellante zich niet beroept op door de rechtbank vastgestelde feiten die blijken uit de uitspraak van 12 augustus 2009, maar op de rechtsoverwegingen in die uitspraak die zien op de (on)verbindendheid van de algemeen verbindende voorschriften waarop de heffing is gebaseerd. Naar vaste jurisprudentie kan de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf niet gelden als nieuwe feiten of omstandigheden in evenbedoelde zin (zie de uitspraak van het College van 28 november 2007, LJN: BB9712). Ook deze grief faalt dus.
5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.