Het College wijst er op dat, hoewel de term “houden” in artikel 46b, eerste lid, onder b, van de Wte 1995 in louter taalkundig opzicht zou kunnen suggereren dat alleen handelwijzen waardoor de koersen gedurende een bepaald tijdsverloop een abnormaal of kunstmatig niveau hebben behouden, onder het verbod van marktmanipulatie vallen – vergelijk punt 23 van het arrest van het Hof van Justitie – de Nederlandse wetgever in de artikelsgewijze toelichting bij dit artikelonderdeel ondubbelzinnig – en in lijn derhalve met hetgeen het Hof in zijn arrest voor recht heeft verklaard – heeft geëxpliciteerd dat onder “houden” van een koers op kunstmatig niveau tevens “brengen” moet worden verstaan.
Van een professionele marktdeelnemer als IMC mag worden verlangd dat deze zich terdege informeert over de beperkingen waaraan haar gedragingen zijn onderworpen.
Kennisneming van de relevante wetstekst en de daarbij behorende toelichting heeft haar derhalve in staat gesteld zich een beeld te vormen omtrent de reikwijdte van het verbod en het voor haar mogelijk gemaakt haar gedrag daarop van meet af aan af te stemmen.
Zonder dat IMC andere taalversies van de Richtlijn Marktmisbruik hoefde te raadplegen kon zij zich derhalve een beeld vormen van de, bij de tekst van de Richtlijn Marktmisbruik aansluitende, opvatting van de (Nederlandse) wetgever met betrekking tot de betekenis van het begrip “houden”, zoals hiervoor bedoeld.
De door IMC bij AFM ingewonnen informatie bevat te weinig aanknopingspunten om te oordelen dat de concrete handelsstrategie die IMC voor ogen stond, ongeacht de gevolgen, in de opvatting van AFM niet onder het verbod van marktmanipulatie zou vallen. Sterker nog, uit het transcript van het op 6 oktober 2005 gevoerde telefoongesprek tussen IMC en AFM blijkt dat deze laatste de concrete, op een individueel geval toegespitste, vragen van IMC in overwegende mate in algemene termen heeft beantwoord.
Daarop vormt in wezen een uitzondering daar waar van de zijde van AFM aan de hand van een cijfermatig voorbeeld (“… als je ziet, de koers doet 43, je vermoedt een stoploss order die getriggerd wordt op 41 en je gaat zodanig short dat je hem helemaal naar beneden duwt, dan wordt het wellicht een ander verhaal.”) de contouren van de reikwijdte wordt aangegeven van het verbod als bedoeld in artikel 46b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wte 1995.
In dat verband heeft het de aandacht van het College getrokken dat IMC, hoewel voorzien van deze opvatting van AFM, op 19 oktober 1995, in feite precies die transacties heeft verricht die tot gevolg hadden dat de koers van het niet volatiele aandeel Wereldhave, – dat toen werd verhandeld op koersen tussen € 81,30 en € 80,- – om in de termen van AFM in het transcript te spreken “euro’s naar beneden werd geduwd”, waardoor zich een kunstmatig (zie r.o. 6.2 van de verwijzingsuitspraak) dalend koersverloop aftekende, dat kennelijk door IMC werd verwacht, gelet op het feit dat zij die daling met een, kort daarvoor, net boven de threshold, ingelegde aankooporder tegen een koers van € 73,- opving.
Het voorgaande voert het College tot het oordeel dat het ook voor IMC duidelijk moet zijn geweest dat zij met het samenstel van haar op 19 oktober 2005 verrichte transacties en handelsorders, zoals omschreven in rubriek 2.2 van de verwijzingsuitspraak, alle elementen van de delictsomschrijving als bedoeld in artikel 46b, eerste lid, onder b, van de Wte 1995 vervulde, en aldus een overtreding van dat verbod beging.
De toepassing van dat voorschrift is derhalve niet – en reeds om dezelfde reden ook niet uit een oogpunt van toegankelijkheid – in strijd met het lex certa beginsel of de eerdergenoemde verdragsbepaling.
Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat het College aanleiding heeft gezien door middel van de verwijzingsuitspraak aan het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing te verzoeken uitspraak te doen over, kortweg, de betekenis van “houden” in artikel 1, tweede lid, onder a, tweede gedachtenstreepje van de Richtlijn Marktmisbruik.
Hoewel, zoals hiervoor is overwogen, de reikwijdte van “houden” als bedoeld in artikel 46b, eerste lid, onderdeel b, van de Wte 1995 – in lijn met het daarmee corresponderende artikeldeel van de Richtlijn Marktmisbruik – voor een professionele marktdeelnemer als IMC in de gegeven omstandigheden voldoende duidelijk kon zijn, dwingt het aannemen van díe duidelijkheid, anders dan IMC kennelijk meent, niet tot de conclusie dat de betekenis van “houden” in dat artikeldeel van voormelde Richtlijn niet langer zou kunnen leiden tot twijfel die noopt tot het stellen van prejudiciële vragen. De afwezigheid van díe twijfel kan, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, immers slechts worden aangenomen wanneer er sprake is van een zogenoemde acte clair of een acte éclairé. Het eerste deed zich, mede onder invloed van de argumenten die IMC zelf heeft aangedragen, niet voor, evenmin als het tweede. Daarmee was de verplichting voor het College tot het stellen van een prejudiciële vraag gegeven. Dat brengt een succesvol beroep op het lex certa beginsel door IMC in de gegeven omstandigheden echter niet dichterbij.
Het voorgaande, in samenhang gelezen met hetgeen het College in r.o. 6.2 van de verwijzingsuitspraak heeft overwogen, leidt tot het oordeel dat zowel de vijfde als de zesde, in de verwijzingsuitspraak in den brede weergegeven, grief van IMC falen.