ECLI:NL:CBB:2012:BV8237
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfstoeslag 2010 wegens ondergrens rechtstreekse betalingen
Appellante heeft bij de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een aanvraag ingediend voor bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Zij beschikte over 2,56 toeslagrechten met een bruto waarde van €429,34 en gaf drie gewaspercelen op met een gezamenlijke oppervlakte van 2,61 hectare. Verweerder wees de aanvraag af omdat het totaalbedrag aan rechtstreekse betalingen onder de drempel van €500 lag.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van de ondergrens en dat de overheid een zorgplicht had om haar hierover tijdig te informeren. Verweerder verwees naar de wettelijke regeling en de verstrekte informatie via de Toelichting bij de Gecombineerde opgave 2010 en Nieuwsbrief #8 van december 2009.
Het College oordeelde dat de afwijzing terecht was op grond van artikel 44 van Pro de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, een dwingendrechtelijke bepaling. Het beroep richtte zich vooral op het niet tijdig informeren over het vervallen van toeslagrechten, maar dit is een apart besluit en niet aan de orde in deze procedure. Het College concludeerde dat appellante bekend had kunnen zijn met de regelgeving en dat het beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bedrijfstoeslag 2010 wordt ongegrond verklaard omdat het totaalbedrag aan rechtstreekse betalingen onder de wettelijke ondergrens van €500 ligt.