7. De beoordeling van het hoger beroep
7.1 Ambtshalve overweegt het College het volgende. De rechtbank heeft de brieven van 11 en 12 september 2008 als afzonderlijke besluiten aangemerkt. Met die brieven informeerde de Minister RATO en SKA dat hij het door hun in bezwaar bestreden besluit handhaaft. Dat besluit heeft voor beide bezwaarmakers, wat betreft kavel B27, hetzelfde rechtsgevolg en het gaat zodoende om één besluit.
7.2.1 De Minister heeft, voor zover hier van belang, het bezwaar van RATO tegen de besluiten van 3 maart 2008 ongegrond verklaard. Bij deze besluiten is de aanvraag van RATO om een vergunning voor de kavels B27 en B31 afgewezen en zijn de vergunningen voor deze kavels verleend aan NDC. Dat de Minister aldus heeft beslist op genoemd bezwaar blijkt onmiskenbaar uit hetgeen daarover in dat besluit is opgemerkt onder de kop ‘Conclusie’. Het beroep van RATO was daarmee, anders dan NDC heeft aangevoerd, ook gericht tegen de vergunningverlening aan NDC.
7.2.2 Anders dan de Minister en NDC, is het College van oordeel dat RATO zijn procesbelang heeft behouden, reeds, omdat hij als (potentiële) concurrent van NDC een belang heeft bij de vergunningverlening voor de kavels B27 en B31. Dat belang is niet beperkt tot het verlies van de inschrijving, maar wordt ook geraakt door de concurrent die de vergunningverlening verwerft. Het kon niet op voorhand worden uitgesloten dat RATO actief zou worden in de markt voor de regionale commerciële radio-omroep waarvoor deze kavels beschikbaar zijn.
7.2.3 De aan NDC verleende vergunningen zijn per 1 september 2011 na het verstrijken van de geldigheidsduur door de Minister verlengd en tegen die verlengingsbesluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Toch staat dat niet aan het procesbelang van RATO in de weg, omdat de Minister de bestaande vergunninghouder exclusief voor de verlenging in aanmerking brengt en de uitkomst van de onderhavige procedure van betekenis kan zijn bij de in verdere toekomst gelegen vergunningverlengingen.
7.3.1 Het College stelt voorop dat de in artikel 7, eerste lid, onder b, van de Regeling AGF neergelegde eis dat een regionaal radioprogramma voor ten minste 10% in het bijzonder is gericht op het gebied waarvoor het programma is bestemd een inhoudelijk criterium vormt. Naar het oordeel van het College dient dit criterium aldus te worden uitgelegd dat een radioprogramma slechts dan kan gelden als een regionaal programma indien het, met inachtneming van dat percentage, in het bijzonder is gericht op die luisteraars die zich bevinden in het gebied waar de radiofrequentie waarvoor de vergunning is verleend kan worden ontvangen. Steun voor dit oordeel ontleent het College aan de toelichting bij het besluit tot wijziging van de Regeling AGF van 29 juli 2003, Staatscourant 2003, nr. 151. Bij deze wijziging is in artikel 7, eerste lid, eerste volzin na ‘commerciële omroepinstellingen’ de zinsnede ‘die in het bijzonder gericht zijn op het gebied waarvoor de programma’s zijn bestemd’ ingevoegd. Uit de toelichting blijkt dat hiermee is beoogd te verduidelijken dat het programmatische voorschrift dat de regionale programma’s voor minimaal een gedeelte in het bijzonder gericht dienen te zijn op het gebied waarvoor de programma’s zijn bestemd er nadrukkelijk toe strekt deze frequentieruimte in te kleuren en daarbij te bestemmen voor de categorie programma’s die in het bijzonder gericht zijn op het verzorgingsgebied. Dat bevestigt dat met ‘het gebied waarvoor het programma is bestemd’ is bedoeld het gebied dat via de frequentie waarvoor de vergunning is verleend door het regionale programma wordt bediend. Het ligt derhalve in de rede dat het regionaal programma voor ten minste 10 % moet zijn gericht op die luisteraars die zich bevinden in het ontvangstgebied van de betreffende radiofrequentie.
7.3.2 Het College kan de Minister en NDC toegeven dat niet kan worden uitgesloten dat een op het ontvangstgebied van de betreffende frequentie gericht programma ook kan gelden als gericht op de luisteraars van een ander, bijvoorbeeld aangrenzend, frequentiebereik.
7.3.3 NDC geeft in haar aanvragen aan dat zij gebruik maakt van verschillende regionale edities, bestaande uit nieuws, weer en verkeer, regionale muziek en presentaties. De aanvragen wekken echter de indruk dat het programma-aanbod voor kavel B27 (Ameland) hetzelfde is als dat voor kavel B31 (Cuijck). De door NDC ter zitting betrokken stelling dat de presentatoren uit verschillende regio’s afkomstig zijn, vindt geen bevestiging in de aanvragen. Ook de in de aanvragen opgegeven percentages regionale inhoud per uur en per dag zijn voor de beide kavels identiek. Verder vermelden de aanvragen dat elk uur minimaal twee liedjes in de programmering zitten die betrekking hebben op Noord Nederland (kavel B27), respectievelijk Brabant (kavel B31). Ter zitting heeft NDC toegelicht dat zij voor deze regiogerichte muziek Nederland heeft onderverdeeld in vijf regio’s. De aanvragen vermelden tenslotte het voornemen om in 2008 gedurende een aantal dagen op (evenementen-)locatie uit te zenden, maar een overzicht van die dagen en evenementen ontbreekt.
7.3.4 Uit de gegevens onder 5.3.3 leidt het College af dat NDC naast nieuws, weer en verkeer, in de hier van belang zijnde regionale edities per uur ten minste twee liedjes uitzendt die betrekking hebben op Noord Nederland of Brabant. NDC heeft ter zitting aangegeven dat zij met die programma-elementen een regiogerichte inhoud van 20 tot 30% bereikt. Nu het programma-aanbod voor de kavels B27 en B31 overigens hetzelfde is, maken de aanvragen van NDC niet duidelijk op welke manier de door NDC beweerde regiogerichte programmering van 64% wordt bereikt.
7.3.5 De Minister is bij de beoordeling zondermeer uitgegaan van het door NDC in haar aanvragen opgegeven percentage van 64. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daarvoor de aanvragen niet toereikend zijn. Hiermee kan verder onbesproken worden gelaten in hoeverre de rechtbank in haar beoordeling mocht uitgaan van de tijdens de hoorzitting verstrekte gegevens.
7.4 De overweging in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de onverbindendheid van artikel 8, tweede lid, van de Regeling AGF, heeft de rechtbank ten overvloede gegeven en schraagt niet de door de rechtbank getrokken conclusies. Partijen zijn dan ook niet door deze overweging gebonden en de Minister en NDC missen een belang bij de bespreking van hun tegen die overweging gerichte appelgronden.
7.5 De hoger beroepen slagen niet. In de einduitspraak zal het College de aangevallen uitspraak op de hiervoor weergegeven gronden bevestigen.