ECLI:NL:CBB:2012:BW7942

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/792
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inzake overzicht geregistreerde toeslagrechten

Appellante, A V.O.F., heeft bezwaar gemaakt tegen een overzicht van geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011, waarin wijzigingen waren verwerkt naar aanleiding van een eerder besluit van 15 februari 2011. Dit overzicht werd door verweerder, de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, niet als besluit aangemerkt en het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard.

In het beroep stelt appellante dat de toeslagrechten niet correct zijn vastgesteld, mede vanwege een onjuiste mededeling van een medewerker van de Dienst Regelingen. Het College beoordeelt of het overzicht van 21 maart 2011 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het College oordeelt dat het overzicht geen besluit is omdat het geen rechtsgevolg heeft en slechts een informatief karakter draagt. De vaststelling van het aantal en de waarde van de toeslagrechten vond reeds plaats bij het besluit van 15 februari 2011. Bovendien is het bezwaar tegen dat besluit niet tijdig ingediend. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het overzicht geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 11/792 30 mei 2012
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
A V.O.F., te B, appellante,
gemachtigde: ing. P.J.M.M. Vullinghs, werkzaam bij Pijnenburg Agrarisch Adviesburo te Horst,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. N.J.H. Klomp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder appellantes aanvraag voor de Nationale Reserve – overheidsinterventie 2010 voor 6.34 hectare toegewezen. Appellante kreeg daardoor recht op 16,59 toeslagrechten met een waarde per toeslagrecht van € 894,88. Bij brief van 21 maart 2011 is deze wijziging in het Overzicht geregistreerde toeslagrechten verwerkt.
Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft verweerder appellantes bezwaar tegen de brief van 21 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 oktober 2011, ingekomen bij het College op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.
Op 25 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij C en D het standpunt van appellante hebben toegelicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Appellante heeft 6.33.70 hectare grond aan het Waterschap Aa en Maas verkocht ten behoeve van de inrichting van een ecologische verbindingszone. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van appellante om in aanmerking te komen voor toeslagrechten uit de Nationale Reserve op basis van overheidsinterventie toegewezen. Appellante heeft daardoor 16,59 toeslagrechten met een waarde per toeslagrecht van € 894,88 gekregen. Daarnaast behield appellante 3,85 toeslagrechten met een waarde van elk €1.040,31 die zij per 15 mei 2006 had aangekocht. In het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 is het voorgaande weergegeven.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd omdat het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 geen besluit is maar enkel een informatieve functie heeft. 2.2 In beroep voert appellante aan dat verweerder appellantes toeslagrechten niet op de juiste manier heeft vastgesteld. Een medewerker van verweerders Dienst Regelingen heeft per e-mail vooraf ten onrechte medegedeeld dat 6.34 toeslagrechten minder zouden worden toegekend maar dat dit niet van invloed zou zijn op de totale waarde van de toeslagrechten. Appellante is van deze mededeling uitgegaan en lijdt schade omdat verweerder de toeslagrechten vervolgens niet op de juiste manier heeft vastgesteld, waardoor appellante uiteindelijk minder betalingen ontvangt.
2.3 Ter beoordeling van het College staat of verweerder het bezwaar van appellante tegen het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt een handeling gericht op rechtsgevolg bedoeld.
Het College is van oordeel dat het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Het aantal en de waarde van appellantes toeslagrechten zijn immers eerder, namelijk bij besluit van 15 februari 2011, vastgesteld. Het overzicht van 21 maart 2011 verandert niets aan deze vaststelling en brengt geen wijziging in appellantes aanspraken. Het overzicht is derhalve niet op rechtsgevolg gericht. Het College verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 8 april 2010 (LJN: BM3291). Dit betekent dat verweerder appellantes bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Dat appellante na ontvangst van het besluit van 15 februari 2011 – in overleg met haar adviseurs - op basis van een achteraf onjuist gebleken eigen berekening aan de hand van de in dat besluit neergelegde gegevens heeft besloten om daartegen geen bezwaar te maken, dient voor rekening en risico van appellante te blijven. Naar het oordeel van het College wordt deze onjuiste interpretatie van het besluit van 15 februari 2011 immers niet gerechtvaardigd door de inhoud daarvan. Voor zover appellantes bezwaar geacht moet worden tevens te zijn gericht tegen het besluit van 15 februari 2011, is het bezwaar niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken gemaakt, terwijl van verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding niet is gebleken.
2.4 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J. van Santvoort als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. J. van Santvoort