ECLI:NL:CBB:2012:BZ1618
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang na intrekking vergunning en aanwijzing Wft
Appellante A B.V. had een vergunning voor bemiddeling in schadeverzekeringen, verleend door de AFM op 19 december 2007. Op 10 december 2009 kreeg zij een aanwijzing op grond van artikel 1:75 Wft Pro, die haar verplichtte een self assessment in te vullen. Na bezwaar verklaarde de AFM dit ongegrond. Tijdens het beroep bij de rechtbank trok de AFM op verzoek van appellante de vergunning in per 23 augustus 2010, waardoor de verplichting tot naleving van de aanwijzing kwam te vervallen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellante geen belang meer had bij de beoordeling van de aanwijzing nadat de vergunning was ingetrokken. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over de jaren vóór intrekking en dat zij geen vergunningsplichtige activiteiten verrichtte. Tevens stelde zij dat de AFM onzorgvuldig was geweest door een toezegging niet na te komen.
Het College oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat zij nog belang had bij beoordeling van de aanwijzing of het bezwaarbesluit. De toezegging van nader onderzoek door de AFM was niet aantoonbaar en het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na intrekking van de vergunning.