ECLI:NL:CBB:2013:143
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking chauffeurskaart taxichauffeur
Verzoeker, een taxichauffeur, kreeg op 2 juli 2013 zijn chauffeurskaart ingetrokken door de Minister van Infrastructuur en Milieu wegens het niet overleggen van een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen in afwachting van een nieuwe VOG. Hij stelde dat hij geen gelegenheid had gekregen tot het indienen van een zienswijze en dat de intrekking onzorgvuldig en in strijd met het vertrouwensbeginsel was.
Tijdens de zitting op 14 augustus 2013 werd vastgesteld dat verzoeker geen VOG kon overleggen vanwege lopende strafrechtelijke procedures en eerdere registraties, waarvan hij verwachtte dat die zouden worden geseponeerd of ingetrokken. Verweerder stelde dat het maatschappelijk belang van passagiersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn beroep uit te oefenen, en dat het ontbreken van een VOG een geldige reden is voor intrekking.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verlies van inkomen voor verzoeker geen bijzondere omstandigheid vormt en dat het verzoek speculatief is omdat relevant bewijs voor het hoger beroep niet was ingebracht. Gezien het ontbreken van voldoende vooruitzicht op het verkrijgen van een VOG en het belang van passagiersveiligheid werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam op 21 augustus 2013 en betekent dat de intrekking van de chauffeurskaart blijft gelden totdat in de bezwaarprocedure een definitief oordeel is gegeven.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de chauffeurskaart is afgewezen.