Verzoekster, een B.V., kreeg een bestuurlijke boete van €6.000,- opgelegd door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) wegens overtreding van artikel 4:23, eerste lid, Wft in de periode mei tot augustus 2009. Tevens werd besloten tot vroegtijdige openbaarmaking van deze boete. De rechtbank Rotterdam matigde de boete tot €3.800,- en schorste de openbaarmaking totdat vijf werkdagen na de uitspraak verstreken waren. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht het College om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de AFM bevoegd was de boete op te leggen, hoewel de boete was gematigd wegens het laten vallen van enkele constateringen en de aard van de financieringsvorm. De rechtbank vond ook dat de openbaarmaking niet in strijd was met de doelstellingen van de Wft. Verzoekster voerde aan dat zij alle relevante informatie had ingewonnen en dat de overtreding niet vaststond, en dat de openbaarmaking onterecht ook andere besluiten betrof.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de wettelijke verplichting tot openbaarmaking van boetes slechts kan worden achtergehouden als dit in strijd is met het toezichtdoel van de Wft, hetgeen hier niet het geval was. Ook het argument van verzoekster dat de boete vier jaar na de vermeende overtredingen niet meer relevant was, werd verworpen. De rechter bepaalde dat de AFM bij publicatie een link naar de uitspraak van de rechtbank moet opnemen en zich moet beperken tot de dossiers die aan de boete ten grondslag liggen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.