Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2013:177

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 oktober 2013
Publicatiedatum
10 oktober 2013
Zaaknummer
AWB 12/445
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Wet tuchtrechtspraak accountantsArt. 39 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond verklaard in accountantstuchtzaak over vermeende valsheid in geschrift

Appellant had een klacht ingediend tegen een accountant over het vermeende vervangen van een door hem ondertekend formulier door een ander stuk, dat in een civiele procedure als bewijs werd ingebracht. De accountantskamer verklaarde de klacht ongegrond omdat appellant zijn stellingen niet aannemelijk had gemaakt.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de accountantskamer onvoldoende onderzoek had gedaan, met name geen getuigen had gehoord en niet had gevraagd naar verschillen tussen de versies van het verslag. Het College van Beroep stelde echter vast dat appellant geen bewijs had geleverd voor zijn beweringen en niet kon aangeven waarin de versies van het verslag verschilden.

Het verzoek om getuigen te horen en om e-mailbewijzen te overleggen werd afgewezen omdat dit geen nieuwe feiten opleverde. Het College volgde daarmee de accountantskamer en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de accountantskamer gehandhaafd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 12/445 2 oktober 2013
20150
Uitspraak op het hoger beroep van:
[A], te [woonplaats], appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 23 maart 2012, met nummer 11/1189 Wtra AK.

1.Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 2 mei 2012, bij het College binnengekomen op 3 mei 2012, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op de klacht, op 20 juni 2011 door appellant ingediend tegen [B] RA (hierna: betrokkene).
De accountantskamer heeft bij brief van 14 mei 2012 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.
Bij brief van 27 juni 2012 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.
Op 22 augustus 2012 heeft betrokkene een reactie op de beroepsgronden ingediend.
Bij brieven van 4 en 24 september 2012 en 11 juli 2013 heeft appellant een nadere uiteenzetting van het beroep gegeven.
Bij brief van 5 oktober 2012 heeft betrokkene een nadere reactie gegeven.
Op 25 juli 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is verschenen. Betrokkene is eveneens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S.M. Marges, advocaat te Utrecht.

2.De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.
Ter zake de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0252), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3.De beoordeling van het hoger beroep

3.1
Appellant richt zijn enige grief tegen de ongegrondverklaring door de accountantskamer van het klachtonderdeel als weergeven in rechtsoverweging 3.2 onder IV van de bestreden tuchtuitspraak, inhoudende dat betrokkene een door appellant ondertekend formulier te kwader trouw heeft vervangen door een hem welgevallig stuk, dit in de civiele procedure als bewijsstuk heeft ingebracht en daarmee valsheid in geschrift heeft gepleegd.
3.2
Appellant voert aan dat de accountantskamer ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij de stellingen die aan dit klachtonderdeel ten grondslag liggen niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij wijst erop dat de accountantskamer ter zitting geen vragen heeft gesteld omtrent de door hem ondertekende versie van het verslag betreffende de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling (hierna: OKB-verslag) enerzijds en de niet-ondertekende versie die betrokkene in de civiele procedure heeft ingebracht anderzijds. Voorts is de accountantskamer in het kader van de waarheidsvinding ten onrechte voorbijgegaan aan het verzoek van appellant [getuige 1] en betrokkene als getuigen te horen. [getuige 1] dient te worden opgedragen vanaf zijn eigen mailbox zijn op 1 juli 2010 om 14.06 uur aan [C] verzonden e-mailbericht door te zenden, aldus appellant.
3.3
Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de accountantskamer terecht heeft geoordeeld dat appellant zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Het is betrokkene onduidelijk waarin het verschil bestaat tussen de – beweerdelijk – getekende versie van het OKB-verslag en de niet-ondertekende versie. Voorts wijst betrokkene erop dat hij in het kader van zijn tegen appellant ingediende klacht bij de accountantskamer met nummer 12/103 Wtra AK, het e-mailbericht van 1 juli 2010, 14.06 uur, op 9 maart 2012 als attachment bij een e-mail naar de accountantskamer heeft verzonden. Het horen van [getuige 1] en betrokkene voegt in de onderhavige procedure niets toe, aldus betrokkene.
3.4
Het College stelt met de accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan de klager is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
3.5
Hoewel het opmerkelijk is dat, naar zeggen van betrokkene, slechts een niet-ondertekende versie van het OKB-verslag bestaat, is appellant er niet in geslaagd enig bewijs te leveren voor de juistheid van zijn stelling dat betrokkene in de civiele procedure een formulier heeft overgelegd dat inhoudelijk afwijkt van het verslag dat appellant stelt te hebben ondertekend. Hierbij neemt het College in aanmerking dat, hoewel appellant ter zitting heeft verklaard eerst tot ondertekening te zijn overgegaan nadat hij de inhoud van het (concept)verslag met [getuige 1] stap voor stap heeft doorgenomen, hij ter gelegenheid van die zitting desgevraagd niet heeft weten te zeggen in welk opzicht de inhoud van de niet-ondertekende versie verschilt van de ondertekende versie. Gelet op het voorgaande ziet College geen aanleiding om [getuige 1] of betrokkene als getuige te horen dan wel [getuige 1] op te dragen vanuit zijn mailbox zijn aan [C] verzonden e-mail van 1 juli 2010 van 14.06 uur naar het College door te sturen. Dat in dat verband betrokkene niet bereid is (nadere) medewerking te verlenen, leidt niet tot een ander oordeel. De grief faalt.
3.6
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
3.7
Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van Pro de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4.De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. P. van der Zanden, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael