ECLI:NL:CBB:2013:205

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 oktober 2013
Publicatiedatum
23 oktober 2013
Zaaknummer
AWB 12/564
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering gedoogtoestemming legbatterijverbod

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een gedoogtoestemming voor twee locaties met legkippen, in het kader van de Voorziening knelgevallen legbatterijverbod. Verweerder heeft deze aanvraag geweigerd en de bezwaren van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante betwist deze niet-ontvankelijkverklaring en stelt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of er klemmende, concrete gronden zijn voor een rechtsplicht tot gedogen. Verweerder stelt dat de schriftelijke mededeling van weigering geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat de rechtspositie van appellante niet is gewijzigd.

Het College bevestigt dat een schriftelijke mededeling dat niet zal worden gedoogd, behoudens bijzondere gevallen, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die dit anders maken. Het gebrek aan financiële middelen wordt niet als zodanig aangemerkt. Het College oordeelt dat verweerder terecht van de hoorplicht heeft afgezien omdat redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de bezwaren niet tot een ander besluit kunnen leiden.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de weigering van gedoogtoestemming wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/564
11201

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2013 in de zaak tussen

[A] B.V., te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager),
en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij brieven van 29 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een gedoogtoestemming voor twee locaties geweigerd.
Bij besluit van 25 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Appellante en verweerder zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.
Met ingang van 1 januari 2012 geldt een verbod op het houden van legkippen in een legbatterij. In een brief aan de Tweede Kamer van 19 december 2011 (Tweede Kamer, 2011-2012, 31 923, nr. 26) heeft verweerder zijn handhavingstrategie uiteengezet. Voor een beperkt aantal evidente knelgevallen bij de omschakeling van bedrijven met legbatterijen is voorzien in de mogelijkheid om onder voorwaarden en voor een beperkte periode (tot 1 juli 2012) een gedoogbesluit te nemen (hierna: Voorziening knelgevallen legbatterijverbod).
2.
Appellante heeft voor twee van haar locaties voor legkippen een aanvraag ingediend om een gedoogbesluit als bedoeld in de Voorziening knelgevallen legbatterijverbod. Verweerder heeft aan appellante meegedeeld geen aanleiding te zien om haar locaties als knelgeval te beschouwen en de gevraagde gedoogtoestemming voor beide locaties afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3.
Ter beoordeling staat of verweerder de bezwaren van appellante tegen de geweigerde gedoogtoestemming terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.
Appellante voert aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat verweerder ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft onderzocht of zich klemmende, concrete gronden voor het aannemen van een rechtsplicht tot gedogen voordoen Appellante betwist dat haar bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Verweerder had daarom niet kunnen afzien van de hoorplicht.
5.
Verweerder stelt dat de weigering te gedogen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtspositie van appellante is door de weigering immers niet gewijzigd. Bij gebreke van bijzondere omstandigheden is het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
6.
Zoals het College eerder heeft overwogen (onder meer in zijn uitspraak van 6 maart 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV8977) is de schriftelijke mededeling dat niet zal worden gedoogd, behoudens bijzondere gevallen, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Van een bijzonder geval is onder meer sprake, indien aan het verzoek om een gedoogverklaring zeer klemmende, concrete gronden voor het aannemen van een rechtsplicht tot gedogen ten grondslag liggen. Het door appellante gestelde gebrek aan financiële middelen, waardoor zij de voor de omschakeling benodigde investeringen niet tijdig heeft kunnen realiseren, is niet zo een bijzondere omstandigheid. Andere omstandigheden heeft appellante bij de aanvraag en in bezwaar niet gesteld.
7.
Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure, waarvan slechts bij wijze van uitzondering kan worden afgezien. In aanmerking nemende wat in rechtsoverweging 6 is overwogen, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder mocht daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van horen afzien.
8.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2013.
w.g. H. Bolt w.g. P.H. Broier