ECLI:NL:CBB:2013:21

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
AWB 11/1167 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep bedrijfstoeslag GLB-inkomenssteun

Indiener heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken over de bedrijfstoeslag in het kader van de GLB-inkomenssteun 2006. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft dit beroep op 11 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep geen procesbelang had; de staatssecretaris had al de maximale toeslag toegekend.

Indiener deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht om een zitting, maar zowel hij als de staatssecretaris verschenen niet op de zitting van 22 maart 2013. Het College beoordeelde of het buiten redelijke twijfel was dat het beroep niet-ontvankelijk was.

Indiener stelde dat de vaststelling van de bedrijfsoppervlakte wel degelijk van belang was, ook in verband met de Meststoffenwet, en dat het College bevoegd was hierover te oordelen. Het College oordeelde echter dat het beroep gericht was op een hogere toeslag die niet mogelijk was omdat de maximale toeslag al was toegekend. De vastgestelde oppervlakte in de uitspraak was niet bindend voor de Meststoffenwet. Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het verzet ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/1167 V
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 op het verzet van

[A], te [woonplaats], indiener van een verzetschrift van de op 11 januari 2013 met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gewezen uitspraak van het College,
(gemachtigde: P.J. Houtsma).

Procesverloop

Tegen de beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) van 16 november 2011 (het bestreden besluit) heeft indiener beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 11 januari 2013 heeft het College dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Indiener heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en hij heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Indiener en de staatssecretaris zijn niet verschenen.

Overwegingen

1.
In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan zonder zitting. Hij heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat indiener geen procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat de staatssecretaris voldoende oppervlakte heeft geconstateerd om de volledige uitbetaling van zijn toeslagrechten te verzekeren en zijn beroep (dus) niet kan leiden tot een hogere bedrijfstoeslag.
2.
Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet doet, moet het College in de eerste plaats de vraag beantwoorden of hij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat de zaak "kennelijk" was. De term "kennelijk" betekent hier "buiten redelijke twijfel". Het gaat er in deze verzetszaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt het College in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3.
Indiener heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat het College ten onrechte oordeelt dat de vaststelling van de bedrijfsoppervlakte geen belang is waarover hij uitspraak kan doen. Nu de vaststelling van de bedrijfsoppervlakte onlosmakelijk is verbonden met de beslissing over de bedrijfstoeslag, is het College bij uitstek bevoegd om daarover te oordelen. Het College erkent ook dat de oppervlakte voor indiener van groot belang is. Daaraan heeft indiener nog toegevoegd dat de in verzet aangevochten uitspraak wat betreft de in aanmerking genomen oppervlakte hem (ook) zal binden in het kader van de Meststoffenwet.
4.
In wat indiener heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 januari 2013. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen beroep kan worden ingesteld als daar geen belang bij bestaat. Het doel dat indiener met zijn beroep wil bereiken moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en het resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben. Als ieder processueel belang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep van indiener is gericht op een hogere bedrijfstoeslag. Dat doel kan hij echter niet bereiken, omdat de staatssecretaris hem al de maximale bedrijfstoeslag heeft toegekend. Als de voor subsidie vastgestelde oppervlakte hoger zou uitvallen, verandert dat niets aan de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit: de bedrijfstoeslag verandert daardoor niet. Anders dan indiener meent, stelt de in verzet aangevochten uitspraak de beteelde oppervlakte niet vast. Deze uitspraak mist reeds om die reden betekenis voor de toepassing van de Meststoffenwet. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 11 januari 2013 in stand blijft.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.
R.C. Stam C.M. Leliveld