ECLI:NL:CBB:2013:340

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
31 december 2013
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
AWB 12/196
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:74 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht, artikel 2 lid 3Besluit tarieven in strafzaken 2003, artikel 11 lid 1 onder d
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing bedrijfstoeslag en proceskostenvergoeding GLB-inkomenssteun 2010

Appellant, een landbouwer, stelde beroep in tegen het herzieningsbesluit van de staatssecretaris inzake de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2010 onder de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Het geschil betrof met name de oppervlaktebepaling van twee percelen (12 en 23) die appellant als één geheel zag, terwijl verweerder deze als afzonderlijke percelen beoordeelde.

Na fysieke controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en beoordeling van luchtfoto’s stelde verweerder de oppervlakten van de percelen vast op respectievelijk 1,55 ha en 0,91 ha, met een slotenmarge. Het College oordeelde dat verweerder terecht uitging van de afzonderlijke opgave van percelen door appellant en dat de vastgestelde oppervlakten juist waren, mede gelet op de staat van de percelen en de niet-subsidiabele delen zoals bulten en sloten.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Omdat verweerder tijdens het beroep gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoet was gekomen, veroordeelde het College hem tot vergoeding van proceskosten (€340,80) en het griffierecht (€152). Tevens werd rekening gehouden met reiskosten van appellant vanwege het niet tijdig kunnen reizen met openbaar vervoer.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 31 december 2013.

Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit bedrijfstoeslag 2010 wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/196
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: R. Weltevreden en mr. E.L.G.M. Boumans).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Bij besluit van 29 december 2011 (besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellant heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 januari 2013 (besluit 2) heeft verweerder besluit 1 herzien en de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.
Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2013, is het beroep van appellant mede gericht tegen besluit 2, nu verweerder daarbij niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Ter zitting heeft appellant het beroep voor zover gericht tegen besluit 1 ingetrokken. Dit betekent dat het College hierna zal beoordelen of besluit 2 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
2.
Appellant is landbouwer en heeft bij verweerder uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2010 aangevraagd. Hiervoor heeft hij onder meer de gewaspercelen 12 met een oppervlakte van 1,72 ha en gewascode 265 (blijvend grasland) en 23 met een oppervlakte van 0,94 ha en gewascode 2302 (natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteiten) opgegeven.
3.
Op 27 september 2012 en 2 oktober 2012 heeft een fysieke controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op het bedrijf van appellant plaatsgevonden. In het hiervan opgemaakte rapport (rapport) is de oppervlakte van perceel 23 geconstateerd op 1,03 ha en de percelen 12 en 23 gezamenlijk op 2,66 ha. In het rapport merkt de inspecteur op dat perceel 23 zeer nat was en moeilijk te beoordelen. Naar schatting is dit perceel voor 70% begroeid met pollen pitrus, met daartussen plekken gras. Het stuk sloot tussen perceel 12 en 23 is volledig dichtgegroeid met riet, pitrus en ruigtevegetatie. In perceel 12, langs de scheiding met perceel 23, liggen bulten takken en met gras begroeide bulten grond.
4.
Bij besluit 2 heeft verweerder onder meer de oppervlakte van perceel 23 vastgesteld op 0,91 ha met een slotenmarge van 0,03. De oppervlakte van perceel 12 is geconstateerd op 1,55 ha met een slotenmarge van 0,04 ha, zoals reeds was bepaald in het primaire besluit. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010 vastgesteld op € 36.620,30 voor een geconstateerde oppervlakte van in totaal 51,92 ha, na aftrek van de modulatiekorting en een extra korting, omdat het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte groter is dan 3%.
5.
Appellant stelt dat verweerder de percelen 12 en 23 ten onrechte als afzonderlijke percelen beschouwt. Perceel 23 vormt één geheel met perceel 12 en de totale oppervlakte hiervan bedraagt 2,66 ha. Volgens appellant is deze hele oppervlakte subsidiabel. Met name de oppervlakte van het met perceel 12 overeenkomende gedeelte is groter dan verweerder heeft geconstateerd in besluit 2. Uitgaande van genoemde totale oppervlakte is het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte kleiner dan 3 %, zodat dan voor de extra korting geen plaats is.
6.
Het College volgt verweerder niet in zijn opvatting dat, gelet op de beroepsgronden, appellant in dit geding slechts de geconstateerde oppervlakte van perceel 23 ter discussie heeft gesteld en niet mede de geconstateerde oppervlakte van perceel 12. Appellant heeft reeds in zijn beroepschrift gesteld dat de percelen 12 en 23 tezamen één perceel vormen met een totale oppervlakte die groter is dan de door verweerder geconstateerde oppervlakten van beide percelen tezamen. Hierin ligt naar het oordeel van het College besloten dat appellant het niet eens is met de voor elk van de twee percelen afzonderlijk door verweerder geconstateerde oppervlakte.
7.
Op grond van de communautaire bepalingen ten aanzien van de beoordeling van aanvragen om rechtstreekse landbouwsteun is het uitgangspunt dat die beoordeling gebeurt op grondslag van de door de landbouwer opgegeven oppervlakte, ligging en grondgebruik (zie de uitspraak van het College van 9 juli 2012, ECLI:NL:2012:BX5077). Verweerder is derhalve terecht uitgegaan van de door appellant in de Gecombineerde Opgave voor 2010 afzonderlijk opgegeven percelen 12 en 23.
8.
Gelet op de tot de gedingstukken behorende (lucht)foto’s van de percelen 12 en 23 en hetgeen in het rapport is vermeld over de toestand van deze percelen, is het College van oordeel dat verweerder bij besluit 2 voor deze percelen terecht de hiervoor in overweging 4 genoemde oppervlakten heeft vastgesteld. Op de luchtfoto’s zijn met betrekking tot perceel 12 duidelijk bruine en donkergroene verkleuringen zichtbaar die er niet op wijzen dat daar sprake is van beteelde oppervlakte (blijvend grasland). Verweerder heeft terecht de in het rapport genoemde bulten en de in het rapport genoemde sloot tussen perceel 12 en 23 niet subsidiabel geacht. Uit het rapport valt af te leiden dat deze sloot bij de controle is opgemeten en niet van de daarin berekende totale oppervlakte van de percelen 12 en 23 is afgetrokken.
9
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
10
Nu verweerder hangende beroep tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, acht het College termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten voor een totaalbedrag van € 340,80. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij met het openbaar vervoer niet tijdig voor de zitting van het College aanwezig kon zijn en dat hij daarom was aangewezen op vervoer per eigen auto. Het College ziet hierin aanleiding om de reiskosten op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aansluiting op hetgeen is bepaald in artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vast op een vergoeding van € 0,28 per kilometer. Dit leidt dit tot een bedrag aan reiskosten van in totaal
€ 100,80 (360 x € 0,28). De verletkosten worden vastgesteld op € 240,-- (acht uur tegen een tarief van € 30,-- per uur.
11.
Het griffierecht komt voor vergoeding door verweerder in aanmerking op grond van artikel 8:74, tweede lid, Awb, nu verweerder hangende beroep is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante.

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 340,80;
- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.C. Bannink