Appellant, een landbouwer, stelde beroep in tegen het herzieningsbesluit van de staatssecretaris inzake de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2010 onder de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Het geschil betrof met name de oppervlaktebepaling van twee percelen (12 en 23) die appellant als één geheel zag, terwijl verweerder deze als afzonderlijke percelen beoordeelde.
Na fysieke controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en beoordeling van luchtfoto’s stelde verweerder de oppervlakten van de percelen vast op respectievelijk 1,55 ha en 0,91 ha, met een slotenmarge. Het College oordeelde dat verweerder terecht uitging van de afzonderlijke opgave van percelen door appellant en dat de vastgestelde oppervlakten juist waren, mede gelet op de staat van de percelen en de niet-subsidiabele delen zoals bulten en sloten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Omdat verweerder tijdens het beroep gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoet was gekomen, veroordeelde het College hem tot vergoeding van proceskosten (€340,80) en het griffierecht (€152). Tevens werd rekening gehouden met reiskosten van appellant vanwege het niet tijdig kunnen reizen met openbaar vervoer.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 31 december 2013.