De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om het eerste terhandstellingsgesprek vanaf 1 januari 2014 als zelfstandige prestatie te laten gelden, los van de terhandstelling van een UR-geneesmiddel. Verzoekers, waaronder KNMP en andere apothekersverenigingen, stelden dat het eerste terhandstellingsgesprek onlosmakelijk verbonden is met de terhandstelling en dat de maatregel onnodig en kostbaar is.
Tijdens de zitting op 18 december 2013 werden argumenten over de nauwe verbondenheid van de prestaties, de ICT-problematiek en de kosten van invoering besproken. Verweerster stelde dat de maatregel bijdraagt aan transparantie en rechtmatigheid van declaraties en dat de termijn voor implementatie voldoende was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de ICT-problematiek niet zodanig was dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd was en dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de kosten problematisch waren. Ook werd overwogen dat de juridische gronden van verzoekers in de bodemprocedure kunnen worden getoetst, maar dat de kans op succes niet zodanig is dat voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd zijn.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat op 23 december 2013.