Appellante exploiteert een discotheek waar op 8 november 2008 een inspectie plaatsvond. Tijdens deze inspectie constateerden ambtenaren dat in een rookruimte waar werknemers werkzaamheden verrichtten, bezoekers sigaretten rookten. De minister legde daarop een boete van €300 op wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, die de werkgever verplicht werknemers te beschermen tegen hinder of overlast van roken.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij technische en organisatorische maatregelen had getroffen, zoals ventilatie en het dragen van mondkapjes, waardoor werknemers geen hinder of overlast zouden ondervinden. Tevens stelde zij dat de norm van artikel 11a onduidelijk zou zijn en in strijd met het lex certa-beginsel. Het College oordeelde dat hinder of overlast meer omvat dan alleen het inademen van rook en dat de waarnemingen van de inspecteurs voldoende objectief bewijs vormen van hinder of overlast.
Het College verwierp het beroep van appellante en bevestigde dat de minister bevoegd was de boete op te leggen. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de boete eveneens ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.