ECLI:NL:CBB:2013:51

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 juli 2013
Publicatiedatum
11 juli 2013
Zaaknummer
AWB 12/718
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbElektriciteitswet 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken nadelige positie na herstelbesluit methodebesluit elektriciteit

De Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) stelde beroep in tegen een door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gewijzigd vastgesteld methodebesluit voor regionale netbeheerders elektriciteit voor de vijfde reguleringsperiode. VEMW had geen beroep ingesteld tegen het oorspronkelijke methodebesluit, waardoor zij geacht werd daarin te hebben berust.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat het beroep alleen ontvankelijk is indien VEMW door het herstelbesluit in een nadeliger positie is gekomen dan na het oorspronkelijke besluit. VEMW voerde aan dat het herstelbesluit leidde tot kostentarisverschuivingen die nadelig zouden zijn voor haar leden op grote industriële locaties en dat het effect van kruissubsidie werd versterkt.

Het College vond dat VEMW onvoldoende had onderbouwd dat haar gezamenlijke positie als belangenvereniging was verslechterd. Verschillen in tarieven tussen netbeheerders leiden tot voordelen voor gebruikers in andere gebieden. Ook het argument over kruissubsidie faalde omdat het oorspronkelijke besluit al een dergelijke vergoeding kende en het beroep niet kon steunen op een uitspraak van een andere partij.

Daarom verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 2 juli 2013.

Uitkomst: Het beroep van VEMW tegen het herstelbesluit methodebesluit elektriciteit is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/718
18050

Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2013 in de zaak tussen

Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW), te Woerden, appellante

(gemachtigden: mr. M.R. het Lam en mr. M.L. Pigmans),
en
de
Autoriteit Consument en Markt(voorheen de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, ACM), verweerster
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
1.
N.V. Rendo(Rendo), te Meppel
(gemachtigden: mr. M. de Rijke en drs. P.C. Pittau),
2.
Westland Infra Netbeheer B.V.(Westland), te Poeldijk
(gemachtigden: mr. B.M.M. Weiffenbach en mr. R. Voogt),
3.
Stedin Netbeheer B.V.(Stedin), te Rotterdam
(gemachtigde: mr. drs. M.G.A.M. Custers),
4.
Liander N.V.(Liander), te Arnhem
(gemachtigden: mr. drs. J.E. Janssen en mr. R. Elkerbout),
5.
Endinet B.V.(Endinet), te Eindhoven
(gemachtigden: mr. drs. J.E. Janssen en mr. R. Elkerbout),
6.
Delta Netwerkbedrijf B.V.(Delta), te Middelburg
(gemachtigde: mr. B.F.C. van de Weijgert).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 16 december 2011 (LJN BU7936) heeft het College ACM opgedragen om een gebrek te herstellen in het methodebesluit voor de regionale netbeheerders elektriciteit voor de vijfde reguleringsperiode (het oorspronkelijke methodebesluit).
Ter voldoening aan deze opdracht heeft ACM bij besluit van 5 juni 2012 (het bestreden besluit) het methodebesluit voor de regionale netbeheerders elektriciteit voor de vijfde reguleringsperiode gewijzigd vastgesteld.
VEMW heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
ACM heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. VEMW, ACM, Rendo, Westland en Delta hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor Westland waren voorts aanwezig [A], [B] en [C]. Liander en Endinet hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde mr. R. Elkerbout. Voor Liander is verder verschenen [D] en voor Endinet [E]. Stedin is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1.
Vaststaat dat VEMW geen beroep heeft ingesteld tegen het oorspronkelijke methodebesluit, zodat zij moet worden geacht te hebben berust in dat besluit. De aan artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag gelegde berustingsregel brengt naar het oordeel van het College met zich dat het beroep van VEMW tegen het bestreden besluit alleen ontvankelijk is als VEMW door dit besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin zij zich bevond nadat het oorspronkelijke methodebesluit was genomen.
2.1
VEMW heeft ter zitting aangevoerd dat de methode in het bestreden besluit leidt tot verschuivingen in de kosten en tarieven van netbeheerders – waarbij de tarieven van de ene netbeheerder omhoog gaan en de tarieven van de andere netbeheerder omlaag – die nadelig uitpakken voor de leden van VEMW die zijn gevestigd op grote industriële locaties, zoals de Botlek. Daarnaast heeft VEMW opgemerkt dat het bestreden besluit het effect van kruissubsidie versterkt, dat volgens haar optreedt doordat de kosten van de transportdienst invoeding van elektriciteit worden vergoed via de tarieven voor de transportdienst ontvangst van elektriciteit.
2.2
Het College is van oordeel dat VEMW hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door het bestreden besluit in een nadeliger positie als hiervoor bedoeld is komen te verkeren. VEMW behartigt het gezamenlijke belang van haar leden. Aan een verschuiving van kosten en tarieven tussen de netbeheerders onderling, als door VEMW genoemd, is inherent dat waar gebruikers in het ene gebied in een nadeliger positie komen te verkeren, gebruikers in het andere gebied juist een voordeel ondervinden. Het College is niet gebleken dat de gezamenlijke positie van de leden van VEMW – en daarmee de positie van VEMW als belangenvereniging – als gevolg van het bestreden besluit is verslechterd. Wat het effect van kruissubsidie betreft, overweegt het College dat het oorspronkelijke methodebesluit al voorzag in een vergoeding van de kosten van de invoeding van elektriciteit via de tarieven voor de ontvangst van elektriciteit. VEMW heeft er verder nog op gewezen dat eerst door de tussenuitspraak duidelijk is geworden dat de kosten van producenten niet mogen worden meegenomen in de tarieven van de verbruikers. Ook dit argument kan VEMW niet baten. De kennisname van een door een andere partij uitgelokte uitspraak kan niet aan de toepassing van artikel 6:13 van Pro de Awb in de weg staan.
3.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
4.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Wolters, mr. R.C. Stam en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. O.C. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 juli 2013.
w.g. C.M. Wolters w.g. O.C. Bos