ECLI:NL:CBB:2013:63

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
11 juli 2013
Publicatiedatum
15 juli 2013
Zaaknummer
AWB 11/216
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na herziening bedrijfstoeslagbesluit 2009

Appellant ontving een voorschot op de bedrijfstoeslag 2009, maar verweerder stelde bij een wijzigingsbesluit het voorschot op nul en eiste terugbetaling wegens onjuiste gewascodes op percelen 2, 8 en 15.

Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College oordeelde in een tussenuitspraak dat het eerste besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid omdat verweerder het oude grotere perceel als uitgangspunt had genomen in plaats van de kleinere door appellant opgegeven percelen.

Verweerder nam daarop een herzieningsbesluit (besluit II) waarin het bezwaar gegrond werd verklaard en de toeslag werd vastgesteld op € 6.205,08, waarvan nog een bedrag moest worden nabetaald. Appellant voerde geen bezwaren aan tegen dit besluit, waardoor het beroep daarop ongegrond werd verklaard.

Het College verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Omdat appellant terecht beroep had ingesteld, werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.180 en het betaalde griffierecht van € 152 aan appellant.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, en verweerder is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 11/216
5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2013 in de zaak tussen

[A], appellant

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),
en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen).

Procesverloop

Bij voorschotbesluit van 3 maart 2010 heeft verweerder aan appellant een voorschot toegekend van
€ 5.497,73 op de bedrijfstoeslag 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling). Ten aanzien van de percelen 2, 8 en 15 is een andere gewascode geconstateerd (863, bos zonder herplantplicht). Deze percelen zijn daarom afgewezen voor de uitbetaling van toeslagrechten.
Bij besluit van 3 september 2010 heeft verweerder het voorschotbesluit van 3 maart 2010 gewijzigd en het voorschot op de bedrijfstoeslag 2009 vastgesteld op € 0,00. Daarbij is tevens bepaald dat appellant € 5.479,73 dient terug te betalen aan verweerder.
Bij besluit van 30 september 2010 heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2009 definitief vastgesteld op
€ 0,00.
Bij besluit van 28 januari 2011 (hierna: besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 3 september 2010 en 30 september 2010 ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Partijen hebben daar hun standpunt toegelicht bij monde van hun gemachtigde.
Bij beschikking van 4 januari 2012 heeft het College het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Op 23 mei 2012 heeft opnieuw een zitting plaatsgehad. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij tussenuitspraak van 9 juli 2012 heeft het College verweerder opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak besluit I aan te passen, met inachtneming van hetgeen het College heeft overwogen in paragraaf 5.6 van de tussenuitspraak, dan wel een ander besluit te nemen, en dit besluit aan het College toe te zenden.
Op 31 augustus 2012 heeft het College het verzoek van verweerder om verlenging van de in de tussenuitspraak vergunde termijn toegewezen tot en met uiterlijk 14 september 2012.
Bij besluit van 22 februari 2013 (hierna: besluit II), ingekomen bij het College op 25 februari 2013, heeft verweerder besluit I gewijzigd.
Bij brief van 26 maart 2013 heeft appellant zijn zienswijze over besluit II gegeven.
Verweerder heeft hierop gereageerd bij ongedateerde brief, ingekomen bij het College op 23 april 2013.
Appellante heeft op die brief gereageerd bij brief van 5 juni 2013.
Het College heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.
In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat besluit I berust op een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding in de zin van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat dit besluit niet in stand kan blijven, omdat – kort gezegd – verweerder bij de beoordeling van de steunaanvraag van appellant voor 2009 ten onrechte het oude – grotere - perceel 2 als uitgangspunt heeft genomen en niet de door appellant opgegeven kleinere percelen 2, 8 en 15.
In de tussenuitspraak is verweerder opgedragen binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van rechtsoverweging 5.6 van de tussenuitspraak, het geconstateerde gebrek te herstellen.
2.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder besluit II genomen. Bij dit besluit is besluit I herzien. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 3 en 30 september 2010 herroepen en vastgesteld dat de netto bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2009 € 6.205,08 bedraagt, waarvan € 5.938,19 nog moet worden nabetaald. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt het nieuwe besluit geacht mede onderwerp te zijn van het geding.
3.
Appellant heeft in zijn zienswijze en zijn brief van 5 juni 2013 geen bezwaren aangevoerd tegen besluit II. Dit brengt met zich dat zijn van rechtswege ontstane beroep tegen dat besluit ongegrond is.
4.
Nu verweerder met besluit II is tegemoetgekomen aan appellant, is het belang van appellant bij een verdere beoordeling van besluit I komen te vervallen.
5.
Omdat appellant terecht beroep heeft ingesteld, dient verweerder de in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten te vergoeden. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten procesrecht vastgesteld op € 1180,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,-- aan appellant te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1180,-- te betalen aan appellant.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. W.E. Doolaard en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2013.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. A.G.J. van Ouwerkerk