ECLI:NL:CBB:2013:91

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 juli 2013
Publicatiedatum
31 juli 2013
Zaaknummer
AWB 12/947
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 AwrArt. 7:1a AwbArt. 6:15 AwbArt. 30 lid 4 Wva
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging tenaamstelling S&O-verklaring en niet-appellabiliteit hardheidsclausule

Appellante verzocht om wijziging van de tenaamstelling van een aan een derde verstrekte S&O-verklaring, welke door verweerder werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. Appellante stelde dat de formele wijziging van de inhoudingsplichtige geen materiële verandering teweegbracht en dat toepassing van de hardheidsclausule op haar situatie passend zou zijn.

Het College oordeelde dat het wettelijk stelsel geen wijziging van de tenaamstelling van een S&O-verklaring na de wettelijke indieningstermijn toestaat, ongeacht de aard van de werkzaamheden of personeelsbestand. Tevens is een besluit over toepassing van de hardheidsclausule niet appellabel. Het beroep tegen het primaire besluit werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en doorgezonden als bezwaar aan verweerder.

Het beroep tegen het bestreden besluit, dat het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling afwees, werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. M. van Duuren en griffier mr. P.H. Broier op 24 juli 2013.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit tot afwijzing wijziging tenaamstelling S&O-verklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/947
27000

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2013 in de zaak tussen

[A], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. G.H. Breukelaar),
en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J. Lam-Tjabbes).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de aan de[B] verstrekte S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) afgewezen.
Bij besluit van 7 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Partijen zijn daar verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1.
Bij besluit van 15 maart 2012 is aan de [C] voor de periode januari tot en met juni 2012 een S&O-verklaring verstrekt. Bij brief van 23 maart 2012 (aangevuld bij e-mail van 2 mei 2012) is verzocht om de tenaamstelling van de S&O-verklaring te wijzigen in [A]. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.
Verweerder heeft het verzoek van 23 maart 2013 tevens opgevat als een aanvraag van appellante om een S&O-verklaring. Bij (primair) besluit van 27 augustus 2012 is aan appellante een S&O-verklaring verstrekt voor de periode mei tot en met augustus 2012, waarin tevens het S&O-uurloon is vastgesteld op € 29,-.
2.
Verweerder stelt zich in beroep – samengevat – op het standpunt dat bij een S&O-aanvraag de S&O-inhoudingsplichtige centraal staat en niet de werkzaamheden die zullen worden uitgevoerd. Het wettelijk stelsel voorziet niet in de mogelijkheid om een afgegeven S&O-verklaring op naam van een andere inhoudingspichtige te zetten. Tegemoetkomen aan een dergelijk verzoek zou in feite betekenen dat een nieuwe inhoudingsplichtige wordt geregistreerd na de wettelijke indieningtermijn. Verweerder verwijst ter ondersteuning van zijn standpunt naar de jurisprudentie dienaangaande van het College. In het bestreden besluit heeft verweerder tevens het beroep van appellante op toepassing van de in artikel 63 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) neergelegde hardheidsclausule afgewezen. Die beslissing is niet appellabel, aldus verweerder. Appellante is op 1 januari 2012 opgericht en heeft over het S&O-refertejaar 2010 geen uurloon uitbetaald. Zij beschikt ook niet over een S&O-verklaring voor dat kalenderjaar. Dit betekent dat er geen gemiddeld uurloon op basis van dat refertejaar berekend kan worden, zodat verweerder niets anders rest dan het gemiddeld uurloon van appellante te bepalen op het forfaitaire bedrag van € 29,-.
Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte haar beroep op toepassing van de hardheidsclausule heeft afgewezen. De complexe situatie – de splitsing en overgang van “Vereniging” naar “Stichting” – en het tijdsverloop van de besluitvorming maakten het niet mogelijk tijdig een S&O-verklaring aan te vragen. Bovendien is met betrekking tot het onderzoek, de medewerkers en instellingen per 1 januari 2012 materieel niets veranderd. Er heeft enkel een formele wijziging van de inhoudingsplichtige plaats gevonden. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat zij ten onrechte wordt aangemerkt als een nieuwe onderzoeksinstelling, waardoor het S&O-uurloon – anders dan voorheen – op € 29,- is gesteld.
3.
Het College overweegt allereerst als volgt.
Voor zover appellante, in het op 18 september 2012 bij het College binnengekomen beroepschrift, stelt zich niet met het in het besluit van 27 augustus 2012 vastgestelde S&O-uurloon (van € 29,-) te kunnen verenigen, vat het College die stelling op als een – binnen de bezwaartermijn bij het College ingediend – bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2012. Aangezien het College niet bevoegd is te beslissen op dat bezwaar en voorts niet is voldaan aan de formele voorwaarden voor toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal het bezwaar met toepassing van artikel 6:15 Awb Pro ter behandeling worden doorgezonden aan verweerder. Aan een inhoudelijk beoordeling van het op € 29,- vastgestelde S&O-uurloon komt het College thans derhalve niet toe.
4.
Het College overweegt (inhoudelijk) voorts het volgende.
Aan de orde is de vraag of verweerder het verzoek om wijziging van de tenaamstelling van de aan de [C] verstrekte S&O-verklaring voor de periode van januari tot en met juni 2012 terecht heeft afgewezen.
Volgens vaste jurisprudentie van het College (onder meer de uitspraak van het College van 29 januari 2013, AWB 10/1019, LJN: BZ3233) is in het wettelijk stelsel met betrekking tot (de verstrekking van) S&O-verklaringen geen plaats voor een wijziging van de tenaamstelling van een S&O-verklaring – en daarmee van de inhoudingsplichtige – na afloop van de wettelijke indieningtermijn. Dit stelsel gaat uit van een aanvraag en de beoordeling daarvan voorafgaand aan de activiteiten en biedt geen ruimte voor een wijziging van een inhoudingsplichtige na afloop van die wettelijke indieningtermijn op grond van een belangenafweging. Aan de omstandigheid dat – bijvoorbeeld – geen wijziging is opgetreden in de samenstelling van het personeel en de aard van de activiteiten, komt derhalve geen betekenis toe (zie de uitspraak van het College van 17 juni 2010, AWB 08/519, LJN: BN4852). Hetgeen appellante in die zin aanvoert, kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat verweerder het verzoek om wijziging van de tenaamstelling ten onrechte heeft afgewezen. In zoverre slaagt het beroep niet.
Voor zover appellante betoogt dat verweerder ten onrechte haar beroep op de hardheidsclausule heeft afgewezen, verwijst het College naar de uitspraak van 11 augustus 2009 (AWB 08/448 en AWB 08/449, LJN: BJ7080), waarin het College heeft geoordeeld dat geen beroep openstaat tegen een besluit omtrent toepassing van artikel 63 Awr Pro.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:
  • verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het (primaire) besluit van 27 augustus 2012;
  • bepaalt dat de griffier van het College het beroepschrift in zoverre doorzendt aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 7 augustus 2012 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.
w.g. M. van Duuren w.g. P.H. Broier
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer' (artikel 30, vierde lid, Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen).