ECLI:NL:CBB:2013:BZ1753
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.A.J. van Lierop
- W.E. Doolaard
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes Meststoffenwet: uitleg gebruik landbouwgrond en feitelijke beschikkingsmacht
In deze zaak stond centraal of de staatssecretaris terecht bestuurlijke boetes had opgelegd aan A wegens overschrijding van gebruiksnormen uit de Meststoffenwet. De discussie betrof of de in 2007 bijgehuurde percelen landbouwgrond in Friesland als tot het bedrijf van A behorende oppervlakte landbouwgrond konden worden beschouwd.
De staatssecretaris had deze percelen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het mestgebruik, omdat A deze percelen niet daadwerkelijk zou hebben gebruikt en geen feitelijke beschikkingsmacht zou hebben. De rechtbank had dit standpunt deels gevolgd en de boetes gematigd.
Het College oordeelde echter dat de wet en de wetsgeschiedenis niet vereisen dat de grond daadwerkelijk in gebruik is, maar dat de feitelijke beschikkingsmacht over de grond doorslaggevend is. A had deze macht, ook al werden werkzaamheden door derden uitgevoerd. Hierdoor werden de boetebesluiten vernietigd en het beroep van A gegrond verklaard.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het College benadrukte dat de flexibiliteit voor landbouwbedrijven bij het gebruik van grond maximaal moet worden gewaarborgd en dat nadere eisen aan het gebruik niet uit de wet voortvloeien.
Uitkomst: Het hoger beroep van A wordt gegrond verklaard en de boetebesluiten worden vernietigd wegens onjuiste toepassing van het begrip gebruik landbouwgrond.