ECLI:NL:CBB:2013:BZ4089
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- W.E. Doolaard
- C.J. Waterbolk
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling randvoorwaardenkorting niet-emissiearm uitrijden mest op perceel met onvoldoende grasbedekking
Appellante ontving een randvoorwaardenkorting van 20% op haar GLB-inkomenssteun 2009 wegens het niet-emissiearm aanwenden van mest op een perceel. Na bezwaar werd deze korting verlaagd naar 3%. Appellante stelde dat het perceel als grasland moest worden gekwalificeerd, terwijl verweerder oordeelde dat het perceel grotendeels bouwland was, omdat minder dan 50% van de grond met gras was bedekt.
Het College overwoog dat de definitie van grasland vereist dat de grond min of meer gelijkmatig met gras is bedekt en dat het gras ten minste 50% van de oppervlakte beslaat. De foto's van de Algemene Inspectiedienst toonden echter grote oppervlakten met gehakseld stro en tarwestoppels met slechts enkele plukjes gras, waardoor die delen niet als grasland konden worden aangemerkt.
Verder oordeelde het College dat het emissiearm aanwenden van mest op bouwland vereist dat de mest in de bodem wordt gebracht, terwijl op grasland tot 1 januari 2012 ook uitrijden in strookjes op de grond was toegestaan. Omdat de mest op het perceel in strookjes op de grond was uitgereden op bouwland, was de mest niet-emissiearm aangewend.
Appellante voerde een schending van het equality of arms-beginsel aan omdat zij pas ruim drie maanden na de controle werd geïnformeerd, maar het College oordeelde dat dit geen vernietiging van het besluit rechtvaardigde. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit is ongegrond verklaard en het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk.