ECLI:NL:CBB:2013:CA0922

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 10/565 AWB 10/569
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.R. Eggeraat
  • R.F.B. van Zutphen
  • W.E. Doolaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:75 WftWet op het financieel toezicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij geschil over AFM-aanwijzing

De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Richland Real Estate B.V. hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin een door AFM aan Richland gegeven aanwijzing op grond van artikel 1:75 van Pro de Wet op het financieel toezicht gedeeltelijk werd vernietigd.

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het College ambtshalve de ontvankelijkheid van de hoger beroepen beoordeeld. Richland heeft gemeld dat zij op 22 november 2011 is opgehouden te bestaan, waardoor het geschil over de aanwijzing feitelijk is komen te vervallen. AFM stelde dat zij ondanks dit feit belang had bij beoordeling vanwege mogelijke aansprakelijkheid jegens derden en onrechtmatigheid van de aanwijzing.

Het College oordeelde dat de gedeeltelijke vernietiging van de aanwijzing jegens een ieder werkt, maar niet bindend is voor eventuele andere geschillen tussen AFM en derden. Daarnaast was een gerelateerd geschil over een boete door de rechtbank en het College reeds definitief beëindigd. Gezien deze omstandigheden ontbrak het AFM en Richland aan belang bij verdere behandeling van hun hoger beroepen, die daarom niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Uitkomst: De hoger beroepen van AFM en Richland worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/565 en 10/569 3 mei 2013
22310 Wet op het financieel toezicht
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna: AFM),
2. Richland Real Estate B.V., te Amsterdam (hierna: Richland),
appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2010, AWB 09/993
BC-T2-BRG, LJN: BM6488, in het geding tussen Richland en AFM.
Gemachtigde van AFM: mr. J.S. Roepnarain, advocaat te Amsterdam.
Gemachtigde van Richland: A, oud-bestuurder van Richland.
1. Het procesverloop
Tegen de voormelde uitspraak van de rechtbank hebben AFM en Richland hoger beroep ingesteld bij het College.
AFM en Richland hebben over en weer reacties op de hoger beroepschriften ingediend. Voorts hebben zij over en weer nadere stukken ingediend.
Op 5 maart 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.
2. De beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de hoger beroepen overweegt het College ambtshalve het volgende.
A heeft het College bij e-mail van 15 februari 2013 bericht dat Richland op 22 november 2011 is opgehouden te bestaan. Niet is gebleken dat in deze situatie een verandering kan optreden vanwege het onderhavige geschil dat gaat over een door AFM aan Richland gegeven aanwijzing op grond van artikel 1:75 van Pro de Wet op het financieel toezicht.
Voor zover AFM heeft betoogd dat zij desondanks belang bij een beoordeling van haar hoger beroep heeft, omdat volgens de aangevallen uitspraak de aanwijzing deels onrechtmatig is en AFM door andere personen dan Richland zou kunnen worden aangesproken op schadevergoeding, overweegt het College als volgt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van Richland gegrond verklaard en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd. De omstandigheid dat deze gedeeltelijke vernietiging jegens een ieder werkt, heeft echter niet tot gevolg dat de aangevallen uitspraak daarmee ook in eventuele geschillen tussen AFM en andere personen dan Richland doet vaststaan dat AFM jegens die andere personen onrechtmatig heeft gehandeld. Het College verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2004 (LJN: AO6051).
Voor zover Richland heeft gesteld dat zij nog belang bij een beoordeling van haar hoger beroep heeft vanwege een geschil over een boete die AFM haar heeft opgelegd, overweegt het College als volgt. De rechtbank heeft in dit geschil bij uitspraak van 7 april 2011 (LJN: BQ1181) een beslissing genomen. Het College heeft het daartegen door Richland ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 3 augustus 2011, AWB 11/389, niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat betalen van het griffierecht. Voornoemd geschil is derhalve beëindigd.
Gezien het voorgaande is het College van oordeel dat AFM en Richland geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun hoger beroepen. Deze dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 De beslissing
Het College verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. B.S. Jansen