ECLI:NL:CBB:2013:CA0922

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 10/565 AWB 10/569
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.R. Eggeraat
  • R.F.B. van Zutphen
  • W.E. Doolaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van hoger beroepen in bestuursrechtelijke geschillen tussen AFM en Richland Real Estate B.V.

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan op de hoger beroepen van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Richland Real Estate B.V. tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had op 29 april 2010 een uitspraak gedaan in een geschil tussen AFM en Richland, waarbij Richland in het gelijk was gesteld. AFM en Richland hebben beide hoger beroep ingesteld, maar het College heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van deze hoger beroepen beoordeeld.

Tijdens de procedure is gebleken dat Richland op 22 november 2011 is opgehouden te bestaan. Dit heeft geleid tot de vraag of er nog procesbelang was voor AFM en Richland om hun hoger beroepen voort te zetten. Het College overweegt dat, hoewel AFM betoogde dat zij belang had bij een beoordeling van haar hoger beroep, de rechtbank reeds had geoordeeld dat de aanwijzing die AFM aan Richland had gegeven deels onrechtmatig was. Echter, de gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak door de rechtbank heeft niet tot gevolg dat AFM onrechtmatig heeft gehandeld jegens andere partijen.

Richland stelde ook dat zij nog belang had bij een beoordeling van haar hoger beroep vanwege een geschil over een boete die AFM haar had opgelegd. Het College heeft echter vastgesteld dat dit geschil reeds was beëindigd door een eerdere uitspraak. Gezien deze omstandigheden heeft het College geconcludeerd dat zowel AFM als Richland geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun hoger beroepen, en heeft het deze dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/565 en 10/569 3 mei 2013
22310 Wet op het financieel toezicht
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna: AFM),
2. Richland Real Estate B.V., te Amsterdam (hierna: Richland),
appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2010, AWB 09/993
BC-T2-BRG, LJN: BM6488, in het geding tussen Richland en AFM.
Gemachtigde van AFM: mr. J.S. Roepnarain, advocaat te Amsterdam.
Gemachtigde van Richland: A, oud-bestuurder van Richland.
1. Het procesverloop
Tegen de voormelde uitspraak van de rechtbank hebben AFM en Richland hoger beroep ingesteld bij het College.
AFM en Richland hebben over en weer reacties op de hoger beroepschriften ingediend. Voorts hebben zij over en weer nadere stukken ingediend.
Op 5 maart 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.
2. De beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de hoger beroepen overweegt het College ambtshalve het volgende.
A heeft het College bij e-mail van 15 februari 2013 bericht dat Richland op 22 november 2011 is opgehouden te bestaan. Niet is gebleken dat in deze situatie een verandering kan optreden vanwege het onderhavige geschil dat gaat over een door AFM aan Richland gegeven aanwijzing op grond van artikel 1:75 van de Wet op het financieel toezicht.
Voor zover AFM heeft betoogd dat zij desondanks belang bij een beoordeling van haar hoger beroep heeft, omdat volgens de aangevallen uitspraak de aanwijzing deels onrechtmatig is en AFM door andere personen dan Richland zou kunnen worden aangesproken op schadevergoeding, overweegt het College als volgt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van Richland gegrond verklaard en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd. De omstandigheid dat deze gedeeltelijke vernietiging jegens een ieder werkt, heeft echter niet tot gevolg dat de aangevallen uitspraak daarmee ook in eventuele geschillen tussen AFM en andere personen dan Richland doet vaststaan dat AFM jegens die andere personen onrechtmatig heeft gehandeld. Het College verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2004 (LJN: AO6051).
Voor zover Richland heeft gesteld dat zij nog belang bij een beoordeling van haar hoger beroep heeft vanwege een geschil over een boete die AFM haar heeft opgelegd, overweegt het College als volgt. De rechtbank heeft in dit geschil bij uitspraak van 7 april 2011 (LJN: BQ1181) een beslissing genomen. Het College heeft het daartegen door Richland ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 3 augustus 2011, AWB 11/389, niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat betalen van het griffierecht. Voornoemd geschil is derhalve beëindigd.
Gezien het voorgaande is het College van oordeel dat AFM en Richland geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun hoger beroepen. Deze dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 De beslissing
Het College verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. B.S. Jansen