Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2014 in de zaak tussen
[naam], te Rotterdam, appellante
de Kamer van Koophandel, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
(…)
Een en ander geldt ten aanzien van alle gegevens, zowel die genoemd in de wet als die genoemd in het onderhavige besluit.
Dit besluit geeft daarnaast in artikel 5, tweede lid, de criteria op grond waarvan een kamer kan weigeren om tot inschrijving van een opgave over te gaan. De weigering op grond van het tweede lid is een discretionaire bevoegdheid van de kamer die de opgave behandelt. Het kan, ook in gevallen waarin strijd met de wet geconstateerd wordt, immers nog steeds in het belang van het register zijn om de opgave toch in te schrijven, vanwege het belang om het register zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Bijvoorbeeld bij een opgave die te laat wordt gedaan en daarmee dus strijdig is met artikel 20, eerste lid, van de wet. De kamer die constateert dat een van de weigeringsgronden zich voordoet, zal een gemotiveerd beroep doen op deze grond indien zij voornemens is de inschrijving te weigeren.
Dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste wordt de bevoegdheid van de persoon die de opgave doet gecontroleerd. Indien daarin een gebrek wordt geconstateerd kan de kamer niet anders dan de opgave niet in behandeling te nemen, ingevolge artikel 5, eerste lid. Ten tweede onderzoekt de kamer de opgave inhoudelijk. Dit omvat onder meer een controle of aan alle vereisten tot inschrijving is voldaan en een controle of het in te schrijven gegeven juridisch bestaanbaar is, dat wil zeggen dat er door de inschrijving niet een figuur ontstaat die niet voldoet aan de vereisten van het recht. Voor dit onderzoek kan de kamer vragen om nadere bewijsstukken. Indien de kamer geen reden heeft om te twijfelen aan de bevoegdheid van de persoon en de juistheid van de inschrijving, wordt overgegaan tot inschrijving. Indien één van de weigeringsgronden van artikel 5, tweede lid, zich voordoet, maakt de kamer een afweging of de opgave tot inschrijving geweigerd wordt.
Het onderzoek van de kamer is grondiger dan voorheen, maar de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens ligt evenals voorheen bij degene die opgaveplichtig is. De kamer is daar afhankelijk van en mag tot op zekere hoogte ook uitgaan van de juistheid van de opgave. Een onderzoek van de kamer houdt niet in dat op alle mogelijke onjuistheden wordt gecontroleerd; daartoe ontbreekt de mankracht en het zou ook een ongewenste verzwaring van de administratieve lasten met zich mee brengen. De kamer moet in redelijkheid tot een oordeel over de juistheid van de opgave komen.