In deze zaak gaat het om een geschil tussen Desco en Stedin over het in rekening brengen en innen van het systeemdienstentarief. ACM had op een klacht van Desco beslist dat Stedin ten onrechte deze tarieven bij Desco had geïnd, omdat Desco zelf geen elektriciteit verbruikt. Stedin betwistte de bevoegdheid van ACM en stelde dat Desco geen partij in de zin van de Elektriciteitswet 1998 is.
Het College oordeelt dat Desco wel degelijk als partij kan worden aangemerkt omdat zij nota's van Stedin ontving en betaalde. Verder stelt het College vast dat het systeemdienstentarief ook door regionale netbeheerders zoals Stedin in rekening wordt gebracht en geïnd, en dat het onderscheid tussen 'in rekening brengen' en 'innen' niet leidt tot uitsluiting van ACM's bevoegdheid.
Stedin voerde aan dat DuPont de feitelijke afnemer is en dat Desco de tarieven namens DuPont betaalde, maar het College stelt dat dit een civielrechtelijke kwestie is die buiten het geschil valt. Het College bevestigt dat Stedin in strijd met artikel 30, tweede lid, van de Wet heeft gehandeld door het systeemdienstentarief bij Desco in rekening te brengen terwijl Desco geen elektriciteit verbruikt.
De overige beroepsgronden van Stedin worden verworpen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.