Appellant, een visserijbedrijf, diende een aanvraag in voor een tegemoetkoming in het kader van het tijdelijk aalvisverbod 2012. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat deze buiten de daarvoor vastgestelde indieningsperiode was ingediend.
De aanvraagperiode was vastgesteld van 1 tot en met 31 oktober 2012, terwijl appellant de aanvraag op 8 november 2012 indiende. Verweerder stelde dat indiening buiten deze periode zonder inhoudelijke beoordeling tot afwijzing moet leiden, mede vanwege het vastgestelde subsidieplafond en de verdeling van het beschikbare budget onder tijdige aanvragers.
Het College oordeelde dat appellant niet in redelijkheid mocht aannemen dat geen aanvraag hoefde te worden ingediend, ondanks een informatieve brief waarin werd vermeld dat appellant geen gegevens hoefde aan te leveren vanwege eerdere aanvragen. De brief maakte duidelijk dat de aanvraagperiode van toepassing was en dat bij twijfel contact opgenomen had moeten worden.
Het College concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die verweerder tot behandeling van de late aanvraag hadden moeten bewegen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.