ECLI:NL:CBB:2014:208

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 maart 2014
Publicatiedatum
11 juni 2014
Zaaknummer
AWB 12/654
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43i Regeling identificatie en registratie van dierenVerordening (EG) nr. 21/2004
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging investeringsheffing I&R-systeem schapen en geiten 2010

Appellant werd op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren voor het jaar 2010 een investeringsheffing van €650 opgelegd vanwege het houden van meer dan 100 schapen op zijn bedrijf. Hij maakte bezwaar tegen deze heffing omdat hij niet wilde meewerken aan het elektronische merken en chipsysteem en vond dat de voorlichting onvoldoende was.

Het College oordeelde dat de heffing conform artikel 43i van de Regeling terecht was opgelegd, gebaseerd op de novembertelling 2009 waarbij appellant 120 ooien had. Het standpunt van appellant dat hij geen gebruik wilde maken van de diensten en het plan had te stoppen met schapen houden, deed hieraan niet af.

Ook de klacht over ontoereikende voorlichting werd verworpen omdat een informatiebrochure was meegezonden met de novembertelling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de investeringsheffing 2010 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/654
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuipers).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren (de Regeling) voor het jaar 2010 een aantal heffingen opgelegd waaronder een investeringsheffing van € 650,-.
Bij besluit van 25 mei 2012 heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014.
Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
.

Overwegingen

1.
Per 1 januari 2010 is de op Verordening (EG) nr. 21/2004 gebaseerde verplichting tot individuele registratie van schapen en geiten ingevoerd. Teneinde een dergelijke registratie mogelijk te maken zijn door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit investerings- en uitvoeringskosten gemaakt. Afgesproken is dat die kosten zouden worden verdeeld tussen dit ministerie en het bedrijfsleven. De investeringskosten komen voor rekening van houders die meer dan 100 schapen of geiten houden op hun Uniek Bedrijfsnummer (UBN). Ter financiering van de investeringsheffing konden deze houders een compensatie aanvragen via de Gecombineerde opgave.
2.
Appellant heeft door middel van de Opgave novembertelling 2009 gemeld dat hij per
1 november 2009 120 ooien op zijn bedrijf had. De naar aanleiding van die opgave aan appellant opgelegde heffing van € 683,50 bestaat uit een vast bedrag per UBN van € 33,50 en een heffing ter dekking van de investeringskosten van € 650,-.
3.
Appellant is het niet eens met de investeringsheffing. Hij stelt ten onrechte te moeten betalen voor diensten die hij niet wenst en waarvan hij geen gebruik zal maken. Appellant heeft steeds gezegd dat hij niet wilde meewerken aan het elektronisch merken of het chipsysteem, en dat hij zou stoppen met het houden van schapen wanneer dat systeem onverhoopt toch zou worden ingevoerd. Verder vindt appellant dat hierover geen goede voorlichting aan belanghebbenden is gegeven.
4.
Ten tijde van belang luidde artikel 43i van de Regeling als volgt:
“1. Ter zake van het voorhanden of het in voorraad hebben van een of meer schapen of geiten is de houder van schapen of geiten jaarlijks een bedrag van € 33,50 per aan de houder toegekend UBN verschuldigd.
2. In aanvulling op het eerste lid is de houder per aan de houder toegekend UBN, waar op 1 november van het voorgaande jaar meer dan 100 schapen of geiten worden gehouden, jaarlijks een bedrag van € 650,00 verschuldigd”.
5.
De door verweerder aan appellant opgelegde heffing is geheel in overeenstemming met de Regeling. Appellant was de investeringsheffing verschuldigd, aangezien hij op
1 november 2009 (de peildatum voor het jaar 2010) meer dan 100 schapen hield. De novembertelling geldt blijkens artikel 43i, tweede lid, van de Regeling als uitgangspunt voor (het verschuldigd zijn van) de investeringsheffing. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat deze heffing niet (langer) is verschuldigd indien het aantal schapen in de loop van 2010 lager is dan 100: appellant heeft dienaangaande niets aangevoerd, doch heeft volstaan met de stelling dat het aantal schapen vanaf 2010 geleidelijk is verminderd. Verweerder heeft de investeringsheffing voor 2010 dan ook terecht aan appellant opgelegd. De omstandigheid dat appellant het niet eens is met de elektronische registratie en het chipsysteem, en daarom het plan heeft opgevat om te stoppen met het houden van schapen, maakt dit niet anders.
Ook de stelling dat de voorlichting over de invoering van het “I&R-systeem schaap/geit” ontoereikend is geweest, treft geen doel. Verweerder heeft de schapenhouders geïnformeerd over het systeem en de investeringsheffing door middel van een informatiebrochure die is meegezonden met het formulier novembertelling 2009.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2014.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld