Appellante, Frisia Zout B.V., heeft een RDA-aanvraag ingediend voor het plaatsen van een afsluiter in de zoutcaverne BAS3, die niet meer in gebruik is, als onderdeel van het ontwikkelen van nieuwe (afgeleide) boorprocessen. Verweerder, de minister van Economische Zaken, wees deze aanvraag af omdat de afsluiter volgens hem niet dienstbaar zou zijn aan het speur- en ontwikkelingswerk, maar een verplichting op grond van de Mijnbouwregeling betreft.
Tijdens de zitting bleek dat het ondergrondse afsluiten van de caverne technisch noodzakelijk is voor het ontwikkelen van het nieuwe boorproces en dat de afsluiter direct dienstbaar is aan het speur- en ontwikkelingswerk. Het College oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd was en vernietigde het besluit.
Het College liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand omdat het bedrijfsmiddel (de afsluiter) pas in 2013/2014 in gebruik is genomen, terwijl de RDA-aanvraag betrekking had op 2012. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.