ECLI:NL:CBB:2015:105

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 maart 2015
Publicatiedatum
9 april 2015
Zaaknummer
AWB 15/113
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:84 AwbArt. 10 Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaartenArt. 37 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening wegens niet tijdig overleggen VOG

De Minister van Infrastructuur en Milieu trok op 21 januari 2015 de chauffeurskaart van verzoeker in wegens het niet tijdig overleggen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Verzoeker had de VOG op tijd aangevraagd, maar het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) besloot niet binnen de gestelde termijn. Verzoeker vroeg uitstel, maar dit werd afgewezen omdat het primaire besluit al was verzonden.

Verzoeker wendde zich tot het College van Beroep voor het bedrijfsleven met een verzoek tot voorlopige voorziening, dat hij later introk nadat het COVOG alsnog een VOG verstrekte en de Minister het intrekkingsbesluit niet handhaafde. Verzoeker vroeg vervolgens vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat door het niet handhaven van het besluit aan verzoeker gedeeltelijk was tegemoetgekomen, waardoor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb gerechtvaardigd was. De Minister werd veroordeeld tot betaling van € 980 aan proceskosten en € 167 aan griffierecht.

De uitspraak benadrukt dat de vraag of het primaire besluit onrechtmatig was, in dit kader niet relevant is. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.

Uitkomst: De Minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 980 en het griffierecht van € 167 aan verzoeker.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/113
14999
Uitspraak van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht van 25 maart 2015 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: H.J. ‘t Hart).

Procesverloop

Bij besluit, gedateerd 21 januari 2015, (het primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker met ingang van die datum ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Verzoeker heeft zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Verzoeker en voormelde gemachtigden zijn verschenen.
Verzoeker heeft met een brief van 10 maart 2015 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en, zoals ter zitting reeds was aangekondigd, de voorzieningenrechter verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Overwegingen

1. Verweerder heeft met het primaire besluit de chauffeurskaart van verzoeker ingetrokken wegens het niet tijdig, te weten binnen de door verweerder gestelde termijn die liep van 28 november 2014 tot 19 januari 2015, overleggen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG), als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. Verzoeker heeft de door hem te overleggen VOG op 9 december 2014 aangevraagd bij het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG). Het COVOG heeft niet binnen voormelde termijn, noch binnen de wettelijke beslistermijn van maximaal acht weken, als vermeld in artikel 37 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), op deze aanvraag beslist. Op 19 januari 2015 heeft verzoeker bij verweerder om uitstel verzocht voor het overleggen van een VOG. Dit verzoek is afgewezen, omdat het primaire besluit toen al naar verzoeker was verzonden. Ter zitting bij de voorzieningenrechter is gebleken dat het COVOG op 17 februari 2015 op de aanvraag van verzoeker heeft beslist en hem op die datum een VOG heeft toegezonden. Verweerder heeft daarop verklaard dat hij het primaire besluit niet handhaaft en dat de chauffeurskaart zo snel mogelijk wordt teruggegeven. Verzoeker heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij, indien de chauffeurskaart is teruggegeven, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal intrekken met een verzoek om vergoeding van de proceskosten en het door hem betaalde griffierecht. Verweerder heeft aangegeven dat hij het primaire besluit niet onrechtmatig acht en daarom geen aanleiding ziet om uit eigen beweging tot vergoeding aan verzoeker van de door hem gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht over te gaan.
2. Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten worden veroordeeld.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingetrokken, omdat verweerder het primaire besluit niet heeft gehandhaafd. Hiermee is aan verzoeker – in elk geval gedeeltelijk – tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Gelet hierop kan in het kader van het thans aan de orde zijnde verzoek om een proceskostenveroordeling, anders dan verweerder meent, de vraag of het primaire besluit al dan niet onrechtmatig is, in het midden blijven.
4. Gelet hierop komt het verzoek om kostenveroordeling voor toewijzing in aanmerking en veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in de kosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 980,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).
5. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 980,-;
  • bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 167,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van
mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2015.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.W.E. Pinckaers
Afschrift verzonden aan partijen op: