AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen last onder bestuursdwang wegens overtreding dierenwelzijnswet
Op 16 januari 2014 legde de Staatssecretaris van Economische Zaken aan appellant een last onder bestuursdwang op wegens overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, specifiek vanwege een chinchilla met bijtwonden die onvoldoende behandeld zou zijn. Appellant werd verplicht binnen een korte termijn een dierenarts te raadplegen en het behandelplan uit te voeren.
Appellant stelde dat hem niet tijdig was meegedeeld dat een dierenarts geraadpleegd moest worden en dat de termijn om dit te doen onredelijk kort was, mede omdat hij zelf de chinchilla had verzorgd. Bij hercontrole bleek dat appellant geen dierenarts had geraadpleegd, waarna de chinchilla werd meegenomen en later door een dierenarts werd geëuthanaseerd.
Het College oordeelde dat de hersteltermijn tot 20 januari 2014, gegeven in het besluit van 16 januari 2014 dat appellant pas op 17 januari ontving, onredelijk kort was en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 AwbPro). Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de besluiten van 4 april en 20 november 2014 vernietigd en het besluit van 16 januari 2014 herroepen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de besluiten worden vernietigd en het oorspronkelijke besluit wordt herroepen wegens een onredelijk korte hersteltermijn.
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 14/294
11201
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2015 in de zaak tussen
[naam 1], te [plaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2014 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd in verband met de overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd).
Bij besluit van 4 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
Op 20 november 2014 heeft verweerder een kostenbesluit genomen. Appellant heeft het kostenbesluit betwist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de kant van verweerder is ook verschenen [naam 2], werkzaam bij de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: de toezichthouder).
Overwegingen
1.1
Op 9 januari 2014 heeft de toezichthouder in de door appellant geëxploiteerde dierenwinkel een onderzoek ingesteld. Hiervan heeft hij een toezichtsrapport opgemaakt. In het rapport heeft de toezichthouder beschreven dat appellant hem een chinchilla heeft getoond met bijtwonden op en bij de kop, en met één van de ogen dicht. Appellant heeft hem tijdens het onderzoek verteld dat de chinchilla deze wonden twee dagen eerder had gekregen in een gevecht met een soortgenoot; de chinchilla was inmiddels afzonderlijk gehuisvest. De toezichthouder heeft appellant mondeling aangezegd dat appellant “de bijtwondjes moest (laten) behandelen”, zo is vermeld in het toezichtsrapport.
1.2
Op vrijdag 17 januari 2014 heeft appellant het besluit van de dag ervoor ontvangen, waarbij verweerder hem een last onder bestuursdwang heeft opgelegd. Met verwijzing naar het toezichtsrapport heeft verweerder in het besluit, voor zover hier van belang, vermeld dat het welzijn van het dier dermate is aangetast dat appellant hiermee artikel 36, eerste lid (oud) en artikel 37 (oud) van de Gwd overtreedt. Om die reden heeft verweerder in het besluit appellant voorgeschreven dat hij vóór (maandag) 20 januari 2014 een dierenarts moet consulteren over de bijtwonden op het hoofd van de chinchilla, en het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts, moet uitvoeren.
1.3
Op woensdag 22 januari 2014 heeft de toezichthouder in de dierenwinkel van appellant een hercontrole gedaan. Appellant heeft toen verklaard dat hij geen dierenarts heeft geraadpleegd en zelf de (wonden van de) chinchilla heeft verzorgd. Appellant heeft ook verklaard dat hij de chinchilla antibiotica heeft gegeven. De toezichthouder heeft vervolgens telefonisch overleg gevoerd met een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, waarin de toezichthouder heeft gemeld dat de chinchilla er beter uit zag, nu levendig, alert en deels hersteld was. Omdat appellant geen dierenarts heeft geraadpleegd, is besloten om de chinchilla mee te nemen en door een dierenarts te laten controleren. Als reden daarvoor is gegeven dat niet precies duidelijk was wat appellant aan de chinchilla gaf en dat het goed zou zijn om de chinchilla door de dierenarts even te laten controleren. De dierenarts constateerde dezelfde dag dat zich onder de wondkorst een ontsteking bevond. De chinchilla is ter observatie in de dierenartspraktijk opgenomen. De gezondheid van de chinchilla verslechterde daarna dermate dat de dierenarts het op 25 januari 2014 heeft gedood.
2 Appellant is het niet eens met de last onder bestuursdwang, het meevoeren van de chinchilla en het voor zijn rekening brengen van de kosten van de bestuursdwang. Dat hij een dierenarts moest consulteren, is hem op 9 januari 2014 niet door de toezichthouder verteld. Vervolgens is hem ontgaan dat in de brief die hij op vrijdag 17 januari 2014 ontving, stond dat hij een dierenarts moest raadplegen. Hij heeft de chinchilla zelf verzorgd en het dier was volgens appellant aan de beterende hand. Bovendien was de in de brief gegeven termijn om een dierenarts te consulteren “erg kort tijd”.
3 Een last onder bestuursdwang dient de termijn te vermelden waarbinnen de te nemen herstelmaatregelen moeten worden uitgevoerd, zo volgt uit artikel 5:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval heeft de toezichthouder op 9 januari 2014 aan appellant te kennen gegeven, dat hij de verwonde chinchilla moest (laten) behandelen. Op die datum is dus niet aan appellant voorgehouden dat hij een dierenarts moest raadplegen. Die maatregel stond wel in de brief van 16 januari 2014, die appellant pas in de loop van vrijdag 17 januari 2014 ontving, en appellant had daarvoor slechts de tijd tot en met zondag 19 januari 2014. Deze termijn was naar het oordeel van het College te kort, wat er ook overigens zij van die maatregel. Alleen in het weekend had appellant nog de mogelijkheid om een dierenarts te raadplegen. Weliswaar bieden dierenartsen, tegen een hoger tarief, veelal voor spoedgevallen de mogelijkheid van een consult buiten de reguliere openingstijden. Maar gelet op de conditie waarin de chinchilla zich nog op 22 januari 2014 volgens de beschrijving van de toezichthouder verkeerde, gaat het College er van uit dat tot die tijd zich geen geval voordeed waarin het inroepen van spoedhulp van de dierenarts gerechtvaardigd of aangewezen was. Gelet hierop heeft verweerder niet in redelijkheid appellant slechts tot 20 januari 2014 in de gelegenheid kunnen stellen om de herstelmaatregelen uit te voeren. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, dat bepaalt dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
4 Dat betekent dat het beroep reeds om die reden slaagt. Het besluit van 4 april 2014 komt voor vernietiging in aanmerking. Dat zelfde geldt voor de bijkomende beschikking van 20 november 2014. Het College ziet voorts aanleiding om het besluit van 16 januari 2014 te herroepen.
5 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken.
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de besluiten van 4 april 2014 en 20 november 2014;
herroept het besluit van 16 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.