Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2015 op de hoger beroepen van:
[onderneming 1], te Molbergen (Duitsland), hierna: [onderneming 1],
de Autoriteit Consument en Markt, hierna: ACM,
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
einzig und allein’) bij haar lag.
Bernh Larsen Holding e.a.(14 maart 2013; no. 24117/08),
Petri Sallinen e.a.(27 september 2005; no. 50882/99),
Buck(28 april 2005; no. 41604/98),
Colas Est e.a. (16 april 2002; no. 37971/97),
Funke(25 februari 1993; no. 10828/84),
Niemietz(16 december 1992; no. 13710/88) en
Chappell(30 maart 1989; no. 10461/83), maar dat een door een rechtspersoon gehuurde ruimte of vervoermiddel ook onder die bescherming valt, volgt niet uit de jurisprudentie van het EHRM. Het College ziet ook overigens niet in dat de hier aan de orde zijnde ruimtes als “woning” van [onderneming 1] in de zin van artikel 8 EVRM Pro moeten worden aangemerkt en aldus onder bescherming van dat artikel vallen. Het ging immers om van anderen gehuurde ruimtes, die bovendien louter werden gehuurd ten behoeve van (verkoop)bijeenkomsten, en waarmee enkel werd voorzien in tijdelijke behoefte aan (personen)vervoer dan wel (verkoop)ruimte. Dat in dit geval sprake is van een (voldoende en structurele) band tussen de gehuurde ruimtes en [onderneming 1], zodat deze ruimtes als woning van [onderneming 1] bescherming van artikel 8 EVRM Pro behoeven, kan naar het oordeel van het College dan ook niet worden gezegd.
Colas Est e.a.heeft overwogen dat “
(…) the entitlement to interfere may be more far-reaching where the business premises of a juristic person are concerned (…)”, hetgeen is herhaald in § 104 van het arrest
Bernh Larsen Holding. Daaruit leidt het College af dat bij rechtspersonen als [onderneming 1] minder snel moet worden aangenomen dat er sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op de bescherming van de woning.
voor nieuwe clubleden’ niet misleidend is; met ‘clubleden’ is bedoeld klanten (‘
Kunden’). [onderneming 1] heeft de vertalingen van het Duits naar het Nederlands aan [onderneming 2] overgelaten. [onderneming 2] kwam met het idee om in plaats van het woord ‘
klant’ het woord ‘
clublid’ te gebruiken. Uit de uitnodiging blijkt duidelijk dat een
lideen
klantis. Consumenten hadden voorafgaand aan aanmelding de mogelijkheid te informeren naar de voorwaarden waaronder men lid/klant kon worden. Overigens zijn enkel vaste gasten uitgenodigd voor de dagtochten. Van een overtreding van artikel 6:193g, aanhef en onder t, BW is naar de mening van [onderneming 1] dan ook geen sprake.
Deze ritprijs kost normaal 19,90 € per persoon, maar voor u slechts 1,90 € p.p!” of een variant daarop) moet worden aangemerkt als een prijsvoordeel. Het enkele werven met een voordelige prijs is op zich geen overtreding van deze bepaling. In dit geval werd het unieke prijsvoordeel echter ook aan andere genodigden aangeboden. De in de uitnodigingen gewekte suggestie dat het bij het geboden prijsvoordeel om een speciale selectie ging, is volgens ACM misleidend. Door het gebruik van misleidende formuleringen over het specifieke prijsvoordeel kan de gemiddelde consument, die behoort tot de doelgroep van de uitnodiging, er toe worden aangezet zich aan te melden voor de dagtocht. In dit geval is naar de mening van ACM sprake van misleiding ten aanzien van het bestaan van een specifiek prijsvoordeel en niet ten aanzien van de motieven voor de handelspraktijk. Artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder d, BW is specifiek toegeschreven op handelspraktijken waarbij onjuiste dan wel misleidende informatie omtrent de prijs, de prijsberekening of, zoals hier, het bestaan van een specifiek prijsvoordeel, wordt verstrekt. De bepaling omtrent misleiding ten aanzien van de motieven (artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder c) is meer generiek van aard en ziet op handelspraktijken waarmee de handelaar zijn commerciële motieven voor zijn handelspraktijken tegenover de consument verhult, aldus ACM.
Beslissing
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het betreft de overtreding van artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder d, BW en de totale hoogte van de boetes;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2012 gegrond, voor zover het betreft de hoogte van de boetes en vernietigt dit besluit in zoverre;
- herroept in zoverre het besluit van 7 april 2011, stelt de totale hoogte van de boetes vast op in totaal € 297.500,- en bepaalt dat de uitspraak op dit onderdeel in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt ACM in de proceskosten van [onderneming 1] in hoger beroep tot een bedrag van € 490,-;
- bepaalt dat ACM het door [onderneming 1] betaalde griffierecht ad € 478,- aan haar vergoedt.