Appellant, werkzaam als chauffeur leerlingenvervoer, beschikte over een chauffeurskaart geldig tot 2017. Verweerder ontving een melding dat appellant recent met justitie in aanraking was gekomen en verzocht hem een nieuwe verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen. Appellant overhandigde deze niet tijdig, waarop de chauffeurskaart op 10 september 2014 werd ingetrokken.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de VOG-aanvraag nog niet definitief was beslist, maar verweerder handhaafde het besluit. Later werd de VOG alsnog toegekend en kreeg appellant een nieuwe chauffeurskaart toegewezen. Appellant stelde dat zijn kaart met terugwerkende kracht moest worden hersteld en verzocht om schadevergoeding en proceskosten.
Het College oordeelde dat het intrekken van de chauffeurskaart geen straf is maar een administratieve maatregel. Verweerder was bevoegd de kaart in te trekken omdat appellant voorafgaand aan het bestreden besluit niet beschikte over een geldige VOG. Het College wees het beroep af, omdat de wetgever bewust procedures voor VOG en chauffeurskaart niet op elkaar afstemt en verweerder niet verplicht was te wachten op de uitkomst van de VOG-procedure.