ECLI:NL:CBB:2015:322
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Intrekking chauffeurskaart wegens niet overleggen nieuwe verklaring omtrent gedrag
Appellant kreeg een chauffeurskaart met geldigheid tot februari 2019. Na een melding van de staatssecretaris over twijfels aan de betrouwbaarheid van appellant wegens recente justitiële contacten, werd appellant verzocht een nieuwe verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen. Appellant vroeg om uitstel, maar leverde geen VOG in binnen de gestelde termijn. De staatssecretaris gaf aan de aanvraag van een nieuwe VOG te willen weigeren vanwege meerdere overtredingen in de periode 2012-2014.
Verweerder trok daarop de chauffeurskaart van appellant in. Appellant voerde aan dat de weigering van de VOG niet zorgvuldig was en dat de overtredingen niet ernstig waren. Tevens stelde hij dat verweerder eerst weken wachtte met intrekken, wat zou duiden op geen ernstige overtredingen. Verweerder stelde dat het besluit tot intrekking een gebonden beschikking is en dat het niet tijdig overleggen van een VOG tot intrekking leidt.
Het College oordeelt dat het beroep feitelijk gericht is tegen de weigering van de staatssecretaris om een VOG te verstrekken, wat niet ter beoordeling staat. Verweerder mocht op basis van de melding het vermoeden hebben dat appellant niet meer voldeed aan de VOG-eisen en was gehouden de chauffeurskaart in te trekken bij het niet tijdig overleggen van een VOG. Een belangenafweging is daarbij niet aan de orde. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de chauffeurskaart wegens het niet tijdig overleggen van een nieuwe VOG wordt ongegrond verklaard.