Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister), appellant
(gemachtigde: drs. R.N. Ramsoedh),
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] ( [naam 1] ).
Procesverloop in hoger beroep
30 mei 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3449).
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
E. Verhulp, T&C Arbeidsrecht, artikel 610, blz. 7).
Verder voert de minister aan dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. [naam 3] heeft een directe rol bij de werkzaamheden in de horecaonderneming, aldus de minister. Het is immers de bedoeling van beide partijen, [naam 3] en [naam 1] , dat eerstgenoemde werkzaamheden in het horecabedrijf – tappen, glazen spoelen, glazen ophalen, enz. – verricht.
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
a. werkgever:
1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
1. vrijwilliger: de persoon, die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een sportorganisatie en die geen werknemer is in de zin van artikel 2 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964, (…)”