ECLI:NL:CBB:2015:336

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 oktober 2015
Publicatiedatum
13 oktober 2015
Zaaknummer
15/663
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wijziging taxivergunning na intrekking

Verzoeker heeft bij de minister van Infrastructuur en Milieu een verzoek ingediend tot wijziging van zijn taxivergunning vanwege een nieuwe procuratiehouder. De minister heeft dit verzoek geweigerd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien er sprake is van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang. In deze zaak was de taxivergunning inmiddels bij besluit van 23 juli 2015 ingetrokken, en verzoeker had tegen deze intrekking geen bezwaar gemaakt, waardoor deze intrekking onherroepelijk was geworden.

Hoewel verzoeker aanvoerde dat de intrekking pas per 15 oktober 2015 inging en dat hij beroep had ingesteld tegen de weigering tot wijziging van de vergunning, oordeelde de voorzieningenrechter dat dit geen spoedeisend belang opleverde. De intrekking was definitief en een voorlopige voorziening zou niet leiden tot het verkrijgen van een vergunning. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang na onherroepelijke intrekking van de taxivergunning.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/663
14914
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoeker,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, geweigerd de taxivergunning van verzoeker te wijzigen, op grond van de Wet personenvervoer 2000.
Bij besluit van 21 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn procuratiehouder [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de weigering door verweerder om de taxivergunning van verzoeker te wijzigen. Verzoeker heeft daar om gevraagd, omdat hij een nieuwe procuratiehouder heeft.
3. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. De vergunning is namelijk inmiddels bij besluit van 23 juli 2015 ingetrokken. Tegen die intrekking heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt. Daardoor is de intrekking onherroepelijk geworden.
Ter zitting heeft verzoeker erop gewezen dat de intrekking pas ingaat per 15 oktober 2015. Hij meende dat het niet nodig was om bezwaar tegen de intrekking te maken, omdat hij al beroep had ingesteld tegen de reden voor die intrekking, namelijk de weigering om de vergunning te wijzigen. Hoe begrijpelijk de verwarring aan de kant van verzoeker ook is, de voorzieningenrechter dient uit te gaan van de onherroepelijkheid van de intrekking, nu verzoeker daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De ingangsdatum van 15 oktober 2015 is – zo neemt de voorzieningenrechter aan – bedoeld als overgangsperiode voor verzoeker. Het doet er niet aan af dat verweerder bij het besluit van 23 juli 2015 tot intrekkingheeft besloten Verzoeker kon de gevolgen van de intrekking alleen tegenhouden door een rechtsmiddel daartegen in te stellen.
Nu de vergunning is ingetrokken, kan een voorlopige voorziening ten aanzien van de wijziging van de vergunning er niet toe leiden dat verzoeker alsnog een vergunning voor het verrichten van taxivervoer krijgt. Daarom is er geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.B.L. van der Weele