Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Bright Living B.V. , te Wassenaar, verzoekster
burgemeester en wethouders van Wassenaar, verweerders
Procesverloop
Den Haag op 23 september 2015 en na doorzending bij het College binnengekomen op
12 oktober 2015, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
“Gemengd-2”. Bij brief van 25 augustus 2015 hebben verweerders aan verzoekster meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat verzoekster op zondag 11 januari en zondag
31 mei 2015 in strijd met de Verordening 2014 was geopend en dat zij voornemens zijn handhavend op te treden tegen deze overtreding door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Nadat verzoekster op 4 september 2015 schriftelijk haar zienswijze over dit voornemen bij verweerders naar voren heeft gebracht, hebben verweerders verzoekster bij het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd. Daarbij hebben zij verzoekster meegedeeld dat voor elke geconstateerde openstelling in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Verordening 2014 een dwangsom wordt opgelegd van € 2.500,- met een maximum van
€ 25.000,-
31 mei 2015 voor het publiek geopend heeft gehad. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verzoekster hiermee het in de Winkeltijdenwet neergelegde verbod tot zondagsopenstelling heeft overtreden, zodat verweerders bevoegd waren om handhavend op te treden, of dat voor haar een vrijstelling of ontheffing van dit verbod geldt, zodat verweerders die bevoegdheid niet hadden. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verzoekster als een “tuincentrum” kan worden aangemerkt.
Verzoekster betoogt voorts dat de locatie aan de Rijksstraatweg 380, waar zij gevestigd is, op grond van het geldende bestemmingsplan “Hofcamp 2013” is aangewezen als “tuincentrum”, zodat zij reeds hierom valt onder de vrijstellingsbepaling van artikel 2, tweede lid, van de Verordening 2014. Het feitelijk gebruik van het perceel - als wel of geen tuincentrum - is volgens verzoekster voor de beoordeling van verweerders in deze dan ook niet van belang. Voor zover het feitelijk gebruik wel van belang zou zijn, merkt verzoekster op dat het begrip “tuincentrum” aan verandering onderhevig is. De consument ziet een tuincentrum steeds meer als een plek waar ook woninginrichting en woonaccessoires worden verkocht. Verzoekster verkoopt in haar winkel zowel woning gerelateerde artikelen als “tuinartikelen”, waaronder planten. Dat verzoekster strikt genomen niet aan de definitie van het begrip “tuincentrum” zoals omschreven in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2015” voldoet, doet daar niet aan af, aangezien dit bestemmingsplan niet op haar locatie van toepassing is.
22 september 2015 op de hoogte geraakt van het primaire besluit en zij had derhalve tot zondag 27 september 2015 de tijd om herhaling van de vermeende overtreding te voorkomen. Bovendien is de last onder dwangsom opgelegd om herhaling van de overtreding te voorkomen. Verweerders hebben verzoekster er eerder op gewezen dat (herhaaldelijk)sprake was van overtreding van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Verordening 2014. In een dergelijk geval behoeft aan de last, behoudens bijzondere omstandigheden, geen begunstigingstermijn te worden verbonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij niet aan de last kon voldoen, nu zij alleen de zon- en feestdagopenstelling diende te staken. De omstandigheid dat verzoekster liever een (veel) langere tijdsperiode had willen hebben om haar klanten te informeren alvorens de vermeende overtreding te staken, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Evenmin vormt een bijzondere omstandigheid het feit dat verzoekster – naar eigen zeggen – afgelopen twee jaar ook op zondag steeds open is geweest, hetgeen haar een goede omzet oplevert die zij niet kwijt wil.
Beslissing
mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.