ECLI:NL:CBB:2015:425
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens taxivervoer zonder vergunning
Appellant was door de Minister van Infrastructuur en Milieu een last onder dwangsom opgelegd wegens het verrichten van taxivervoer zonder vergunning, in strijd met artikel 76 van Pro de Wet personenvervoer 2000. Na constatering van overtredingen op 22 maart 2013 en 2 maart 2014 werd een dwangsom van €10.000 per overtreding opgelegd.
Appellant betwistte de rechtmatigheid van de last onder dwangsom niet, maar voerde aan dat het bestreden besluit tot invordering van de dwangsommen onrechtmatig was omdat verweerder de uitkomst van een strafprocedure had moeten afwachten. Het College oordeelde dat de strafprocedure de bevoegdheid tot invordering niet beperkt en dat de beslissing reeds was aangehouden tot 1 november 2014.
Verder stelde appellant dat sprake was van uitlokking van de overtreding, maar het College oordeelde dat dit niet het geval was, omdat het gesprek tussen de verbalisanten niet als uitlokking kan worden aangemerkt.
Ten slotte stelde appellant dat persoonlijke omstandigheden invordering in de weg stonden, maar het College vond deze niet zodanig dat invordering mocht worden afgezien. Het College concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot invordering van dwangsommen wegens taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.