De VOF en haar vennoten hadden een vergunning voor taxivervoer aangevraagd, welke door de minister van Infrastructuur en Milieu werd geweigerd omdat de procuratiehouder niet voldeed aan de eis van vakbekwaamheid. De procuratiehouder moest permanent en daadwerkelijk leiding geven aan het vervoer, maar de overgelegde documenten, waaronder een Verklaring inbreng vakbekwaamheid en een procuratieovereenkomst, toonden discrepanties en onvoldoende bewijs van daadwerkelijke en permanente leiding.
Het College oordeelde dat de taken van de procuratiehouder zich vooral beperkten tot begeleiding en advies en niet tot leidinggevende functies. De VOF had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de vakbekwaamheidseis werd voldaan. Het beroep van de VOF en haar vennoten werd daarom ongegrond verklaard.
Appellant onder 4, de procuratiehouder zelf, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen rechtstreeks belang had. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak bevestigt het belang van concrete en overtuigende bewijsvoering omtrent vakbekwaamheid bij vergunningverlening.