ECLI:NL:CBB:2015:447

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
31 december 2015
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
15/128
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 lid 4 Wet personenvervoer 2000Art. 26 Besluit personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing taxivergunning wegens onvoldoende vakbekwaamheid procuratiehouder

Appellant vroeg een vergunning voor taxivervoer aan, maar deze werd geweigerd omdat hij niet voldeed aan de eis van vakbekwaamheid. De vakbekwaamheid zou worden ingebracht door een procuratiehouder, maar verweerder stelde dat deze niet permanent en daadwerkelijk leiding gaf aan het vervoer.

Het geschil draaide om de vraag of de procuratiehouder aan deze eis voldeed. Het College beoordeelde het bestreden besluit op basis van de stukken die verweerder ten tijde van het besluit had, en nam een nieuwere procuratieovereenkomst niet mee. Appellant stelde dat hij niet correct was gehoord, maar het College vond de enkele ontkenning onvoldoende om dat aan te nemen.

Uit de procuratieovereenkomst bleek dat de procuratiehouder slechts controleertaken had en niet daadwerkelijk leiding gaf. Ook de verklaring over de bevoegdheden bevestigde dit. Daarnaast werkte de procuratiehouder slechts twintig uur per week bij appellant en 55 uur elders, wat niet wijst op permanente betrokkenheid.

Het College oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de procuratiehouder niet voldoet aan de vakbekwaamheidseis en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de taxivergunning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/128
14914

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] ,

appellant
(gemachtigde: mr. B.A.S. van Leeuwen),
en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, de aanvraag van appellant om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 afgewezen.
Bij besluit van 29 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de taxivergunning geweigerd, omdat appellant niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid. De vakbekwaamheid wordt volgens de aanvraag ingebracht door procuratiehouder [naam 2] . Verweerder meent echter dat de procuratiehouder niet permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zelf niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.
2. Een taxivergunning wordt alleen verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, zo volgt uit artikel 76, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000. De eisen van vakbekwaamheid zijn nader uitgewerkt in onder meer artikel 26 van Pro het Besluit personenvervoer 2000. Daarin is bepaald dat degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen (zie artikel 26, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000).
3. Kern van het geschil is de vraag of de procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer door de eenmanszaak van appellant. Het College gaat bij de beoordeling of verweerder deze vraag in het bestreden besluit juist heeft beantwoord – in navolging van verweerder – uit van de stukken waarover hij ten tijde van het nemen van dit besluit beschikte. Ter beoordeling staat immers of het bestreden besluit rechtmatig is genomen. Voor zover in het beroepschrift wordt uitgegaan van een andere, nieuwere, versie van de procuratieovereenkomst, kan dit niet bij de beoordeling worden betrokken.
4. Appellant heeft betoogd dat als verweerder de hoorzitting over het bezwaar niet achterwege had gelaten, hij de gelegenheid zou hebben gehad om de nieuwste procuratieovereenkomst in te dienen voordat verweerder het bestreden besluit nam. Verweerder heeft ter zitting verklaard, en dat blijkt ook uit de stukken, dat appellant in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, maar dat appellant hierop niet heeft gereageerd. Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij de uitnodiging voor een hoorzitting niet heeft ontvangen. Deze enkele ontkenning door appellant is voor het College onvoldoende om aan te nemen dat de uitnodiging voor een hoorzitting niet in goede orde is ontvangen. Het College is voorts van oordeel dat ook indien uitgegaan wordt van de juistheid van de datering van de nieuwste procuratieovereenkomst, namelijk 1 oktober 2014, dus vóór het nemen van het primaire besluit, appellant er niets aan in de weg stond om zelf deze overeenkomst in te dienen bij verweerder.
5. Het College is met verweerder van oordeel dat uit de aanvraag niet duidelijk wordt dat de procuratiehouder daadwerkelijk leiding geeft. Volgens de gewijzigde procuratieovereenkomst die bij het bezwaarschrift is gevoegd, ter vervanging van de oorspronkelijke procuratieovereenkomst die bij de aanvraag was gevoegd, zijn de taken van de procuratiehouder beperkt tot controle. Daarmee blijkt uit de procuratieovereenkomst niet van taken en bevoegdheden die de conclusie rechtvaardigen dat de procuratiehouder daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. Het betoog in het beroepschrift dat verweerder zich niet mocht baseren op de procuratieovereenkomst, omdat appellant niet verplicht was deze te overleggen, miskent dat het op de weg ligt van appellant als aanvrager van de vergunning om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid. Bovendien is in de Verklaring inbreng vakbekwaamheid (Verklaring) vermeld dat appellant en de procuratiehouder dezelfde bevoegdheden hebben, en dat aan de procuratiehouder geen specifieke bevoegdheden zijn voorbehouden. Dit wijst er dus evenmin op dat de procuratiehouder daadwerkelijk leiding geeft.
6. Het College stelt verder met verweerder vast dat de procuratiehouder volgens de – in de bezwaarfase gewijzigde – procuratieovereenkomst voor twintig uur per week werkzaam is voor het bedrijf van appellant en dat hij volgens de Verklaring daarnaast nog 55 uur per week elders werkzaam is. Het College acht het niet reëel dat bij een werkweek van in totaal 75 uur sprake kan zijn van een permanente betrokkenheid bij het leidinggeven aan het bedrijf van appellant. Voor zover in beroep is betoogd dat verweerder niet een minimale inzet voor twintig uur per week als uitgangspunt mocht hanteren, kan dit hieraan niet afdoen en dus niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geoordeeld dat de procuratiehouder niet daadwerkelijk en permanent leiding geeft aan het vervoer door de eenmanszaak van appellant.
8 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. S.C. Stuldreher en mr. B. Hessel, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2015.
w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.B.L. van der Weele