Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 januari 2015 in de zaak tussen
Transportbedrijf [naam 1] h.o.d.n., te [plaats], appellante
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een transportbedrijf, kreeg op grond van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso) maatregelen opgelegd met betrekking tot houten verpakkingen waarin natuursteen werd opgeslagen. Deze maatregelen betroffen het verbod op verhandeling, verplaatsing en behandeling van de kratten vanwege het risico van besmetting met de Aziatische boktor.
Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen deze maatregelen ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat appellante geen gronden had aangevoerd die de rechtmatigheid van de maatregelen konden aantasten. Het College bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de vraag naar financiële compensatie voor de door appellante geleden schade niet in deze procedure kan worden beoordeeld, maar via een apart besluit op grond van artikel 4 van Pro de Plantenziektenwet moet worden behandeld.
Het College verwijst naar een samenhangende zaak (AWB 13/323) waarin de rechtmatigheid van soortgelijke maatregelen is bevestigd, mede vanwege het risico van verspreiding van de Aziatische boktor via het verpakkingshout. Appellante heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd die aanleiding geven tot een ander oordeel.
De zaak is aangehouden in afwachting van de uitspraak in de samenhangende procedure, maar uiteindelijk verklaart het College het beroep ongegrond en wijst het op de juiste procedure voor compensatieverzoeken.
Er is geen grond voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gedaan op 7 januari 2015.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot oplegging van bestrijdingsmaatregelen wordt ongegrond verklaard.