Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2015 in de zaak tussen
[naam 1], te [plaats], appellant
de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 8 december 2013 heeft de politie Gelderland-Zuid daarom een onderzoek ingesteld dat betrekking heeft op appellant. Uit het computersysteem van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat appellant niet in het bezit is van een taxivergunning als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de Wp2000.
In het door twee politieambtenaren (verbalisanten [naam 4] en [naam 5]) op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2013 is onder meer vermeld:
- dat verbalisant [naam 5] om 02:33 uur te [plaats] aan zijn collega [naam 4] aangaf dat hij een taxi wilde en geen zin had om te lopen;
- dat appellant bij de eindbestemming het tweede koppel ontdekte en dat hij toen aangaf dat zij moesten doen alsof zij vrienden waren die hij een lift naar huis gaf;
€ 40.000,-, niet in redelijke verhouding tot de beoogde werking daarvan staat. De uitspraak van het College van 20 maart 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:104; uitspraak van 20 maart 2014) waarin dat maximum redelijk wordt geacht, is hier niet van toepassing. Appellant baseert deze beroepsgrond er op dat in die uitspraak de regionale problematiek, in dat geval van de gemeente Amsterdam, van belang geacht zou zijn geacht, terwijl het hier om de gemeente [plaats] gaat waar die problematiek niet zou spelen.
€ 100.000,- (reeds) niet in redelijke verhouding staat tot het financiële voordeel van een, wat verweerder noemt “klassieke snorder”. Het College heeft in die uitspraak, alsmede in andere vergelijkbare uitspraken (zie ook de uitspraken van 18 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:155 en ECLI:NL:CBB:2014:154), zelf voorziend het maximumbedrag dat aan dwangsom kan worden verbeurd vastgesteld op € 40.000,-. In het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van 20 maart 2014, het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsom gewijzigd in € 40.000,-. Onder verwijzing naar vermelde uitspraak van 20 maart 2014 hanteert het College als uitgangspunt dat dit maximum niet disproportioneel is.