In deze zaak stond centraal of de restitutie van uitvoerrechten en de vrijgave van zekerheid terecht werden geweigerd omdat appellante op het moment van aanvaarding van de uitvoeraangifte niet beschikte over een geldig uitvoercertificaat. Na een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de EU werd vastgesteld dat een regularisatie achteraf mogelijk is, waardoor de restitutie alsnog kon worden toegekend.
Appellante vorderde daarnaast vergoeding van wettelijke of handelsrente vanaf de datum van het primaire besluit en vergoeding van kosten van het laattijdig vrijgeven van zekerheid. Het College oordeelde dat de wettelijke rente terecht vanaf de datum van de regularisatie is berekend en dat appellante geen aanspraak heeft op handelsrente of vergoeding van rente over de vrijgegeven zekerheid.
Verder werd het verzoek van appellante tot vergoeding van daadwerkelijk gemaakte proceskosten afgewezen, maar verweerder werd wel veroordeeld tot betaling van proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kostenvergoeding werd vastgesteld op € 2.976 en het griffierecht van € 620 werd aan appellante toegekend.
Het College concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en wees de beroepen ongegrond. De proceskostenveroordeling weerspiegelt de redelijkheid van de gemaakte kosten in het kader van de procedures.