Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2016 in de zaken tussen
de Stichting Isala Klinieken, te Zwolle, appellante,
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Bij het bestreden besluit van 31 oktober 2014 heeft verweerster het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. In beroep is slechts de post afschrijvingen in geschil. Verweerster heeft bij het bestreden besluit van deze post een bedrag van € 4.264.134,-- alsnog toegekend. Appellante handhaaft in beroep het standpunt dat deze post op een bedrag van € 11.698.585,-- dient te worden vastgesteld.
€ 11.698.585,-- vast te stellen. In bijlage 1 bij deze aanvraag heeft appellante dit, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:
ontbreekt een dergelijk voorbehoud in de wijziging van de aanvraag die appellante bij
e-mail van 7 november 2014 heeft ingediend. Appellante heeft daarbij haar aanvraag van 1 september 2014 gewijzigd, in die zin dat zij de post afschrijvingskosten van € 11.698.585,-- heeft teruggebracht tot het door verweerster in de bezwaarprocedure gehonoreerde bedrag van € 4.264.134,-- en in plaats daarvan de contante rentewaarde van € 8,1 miljoen van het disagio heeft opgevoerd, althans voor zover nodig om (precies) op een schaduwbudget van
€ 294.033.956,-- uit te komen.
Appellante is van mening dat verweerster de in 2012 gevormde “voorziening overhedge SWAP” van € 8,1 miljoen ten onrechte niet in het schaduwbudget van 2012 heeft verwerkt.
Subsidiair voert appellante aan dat in ieder geval een bedrag van € 480.861,-- in het schaduwbudget 2012 dient te worden verwerkt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat, indien de keuze was gemaakt om de financiering volledig op te nemen , de verschuldigde rente in 20 jaar had kunnen worden afgeschreven. Appellante is van mening dat zij door het nemen van het disagio ineens, niet in een slechtere positie mag raken dan wanneer zij de financiering volledig zou hebben opgenomen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2016.