Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2016 op het hoger beroep van:
[naam 1] RA, te [plaats 1] , appellant
(gemachtigde: mr. A. Speksnijder),
[naam 2] ( [naam 2] ), te [plaats 1] .
Procesverloop in hoger beroep
23 februari 2015, met nummer 14/2468 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:32)
Grondslag van het geschil
non-concurrentiebeding.
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Appellant bestrijdt dat hij geen aandacht heeft geschonken aan de bedreigingen van zijn geheimhoudingsplicht en/of zijn objectiviteit. De bedreiging van (de schijn van) partijdigheid heeft hij in zijn opdrachtbevestiging uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij heeft het risico onderkend dat de keuze voor een waardering op basis van toekomstverwachtingen in plaats van intrinsieke waarde tot discussie zou kunnen leiden. Om die reden heeft hij vanaf de aanvang van de opdracht naar beide partijen (en hun vertegenwoordigers) uiterste transparantie in zijn werkzaamheden betracht. Bij e-mailbericht van 17 november 2011 trok [naam 2] zijn opdracht in, maar daarbij stelde hij, kennelijk in overleg met de door hem voor een second opinion ingeschakelde deskundige [naam 6] ( [naam 6] ) verbonden aan [naam 7] B.V.: “Ik begrijp dat u nog inhoudelijk gaat reageren op de punten genoemd in [naam 6] ’s e-mail van vandaag.” Volgens appellant betekent dit dat [naam 2] instemde met afronding van de rapportage op basis van het eerdere overleg tussen appellant en [naam 6] . Een e-mail van 23 november 2011 van [naam 6] bevestigt deze lezing. Daaruit blijkt dat de positie van (ook) appellant als partijdeskundige is afgestemd met en goedgekeurd door [naam 2] . Van enig bezwaar van [naam 2] , [naam 6] of de eveneens door [naam 2] ingeschakelde juridisch adviseur [naam 8] is niet gebleken. Het verwijt dat hij onvoldoende distantie in acht heeft genomen en niet volledig transparant is geweest, bestrijdt appellant eveneens. In bedoelde periode was er uitsluitend overleg tussen appellant en [naam 6] . Tezamen hebben zij de ter discussie staande aspecten benoemd. [naam 6] markeerde in zijn
e-mailbericht van 23 november 2011 hun posities als partijdeskundige en verzocht appellant uitdrukkelijk om een afsluitende rapportage. Met het oog op mogelijke bezwaren heeft appellant zijn vragen op 1 december 2011 voorgelegd aan SRA-vaktechniek. Het antwoord heeft hij gevolgd. Van dit vaktechnisch overleg heeft hij mededeling gedaan en ook dit is aanvaard. Nadien heeft, eveneens voor beide partijen geheel inzichtelijk, nog nader overleg plaatsgevonden met [naam 6] . In zijn rapport van 5 december 2011 heeft appellant de opvattingen van [naam 6] weergegeven.
6 december 2011 gereserveerde overleg “tussen de beide partij-adviseurs” kan plaatsvinden. [naam 6] noch [naam 2] hebben hier bezwaar tegen gemaakt. Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft [naam 6] appellant bedankt voor zijn bericht en is hij ingegaan op het voorstel voor het overleg. Blijkens door appellant overgelegde e-mailberichten gingen [naam 6] en appellant vervolgens voort met hun overleg. Naar het oordeel van het College treft appellant, gezien het bovenstaande, niet het verwijt tegenover [naam 2] niet volledig transparant te zijn geweest. Hoewel het op de weg van appellant had gelegen zijn veranderde positie tussentijds formeel te markeren, bijvoorbeeld in een gewijzigde of aanvullende opdrachtbevestiging, blijkt uit de na de opdrachtbeëindiging van 17 november 2011 gevoerde correspondentie en gesprekken, dat zeker vanaf 2 december 2011 voor alle betrokkenen duidelijk was dat appellant voortging als partij-adviseur van [naam 5] .
Beslissing
- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover de accountantskamer de