Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2016 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten zijn in hoger beroep gegaan tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de staatssecretaris van Economische Zaken wegens overtreding van artikel 7 in Pro samenhang met artikel 8 van Pro de Meststoffenwet (Msw) in 2008. De boete was gebaseerd op het overschrijden van meststofgebruiknormen, waarbij bepaalde percelen niet tot het bedrijf werden gerekend vanwege het ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht. Tevens werd de hogere derogatieregeling niet toegepast omdat niet aan de voorwaarde van minimaal 70% grasland werd voldaan.
De rechtbank had de boete bevestigd en het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij in 2008 anders dan in 2007 feitelijke beschikkingsmacht hadden over de betwiste percelen. De verklaringen van betrokken eigenaren en gebruiksverklaringen werden niet overtuigend geacht, mede gelet op tegenstrijdige verklaringen van het Waterschap en het afdoeningsrapport van de Algemene Inspectiedienst.
Verder werd geoordeeld dat de derogatieregeling niet van toepassing was omdat niet aan de expliciete voorwaarde van 70% grasland werd voldaan gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september. Ook het beroep op verdere matiging van de boete wegens cumulatie van boetes en randvoorwaardenkortingen werd verworpen, omdat de boetes betrekking hadden op verschillende kalenderjaren en er geen sprake was van dubbele bestraffing. De financiële draagkracht van appellanten was onvoldoende onderbouwd.
Het College bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de boete van € 73.908,25 voor het jaar 2008. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het College bevestigt de bestuurlijke boete wegens overtreding van de Meststoffenwet in 2008 en wijst het hoger beroep af.