Appellante, een melkveehouderijbedrijf, kreeg een boete opgelegd door de staatssecretaris van Economische Zaken wegens het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht van meststoffen in 2008, gebaseerd op het ontbreken van Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) voor mestafvoer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en dit hoger beroep is ingesteld tegen die uitspraak.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk had voldaan aan de verantwoordingsplicht omdat de mest in kwestie was overgedragen bij volledige bedrijfsoverdrachten, waardoor het opmaken van VDM’s niet verplicht was. De staatssecretaris betwistte dit en stelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de mest was afgevoerd of overgedragen.
Het College oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat de mest was overgedragen bij bedrijfsoverdrachten of nog op het bedrijf aanwezig was aan het einde van 2008. De opslag van mest in een gehuurde silo en de wijzigingen in eigendom van die opslag waren onvoldoende om te concluderen dat de mest was overgedragen. Het College bevestigde daarom de boete en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 3 november 2016.