Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2016 in de zaak tussen
[naam 1], appellant, te [plaats] , en
[naam 2], appellante, tezamen appellanten
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 27.201,81, kosten in verband met het verrichten van eigen werkzaamheden begroot op
€ 10.000,-., gederfde inkomsten vanwege stopzetting ontwikkeling van een manege begroot op € 50.000,- en immateriële schade begroot op € 50.000,-. De totale schade bedraagt volgens appellanten € 141.672,01.
€ 1.000,-. Het verzoek van appellanten om vergoeding van de gedane investeringen in de pony ten bedrage van € 69.049,85 heeft verweerder afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat dergelijke investeringen tot gevolg zouden moeten hebben dat de waarde van de pony daardoor verhoogd zou moeten zijn. In dit geval is de pony getaxeerd op € 700,-; ongeveer de helft van het bedrag dat appellanten voor de pony hebben betaald. De door appellanten gestelde investeringen zijn niet zichtbaar geworden. Verweerder ziet daarom geen reden meer te vergoeden dan € 1.550. Het verzoek van appellanten tot vergoeding van de kosten voor de aanschaf van onder meer de ruiteruitrusting, het gereedschap en dergelijke, heeft verweerder afgewezen omdat deze investeringen niet onafscheidelijk zijn verbonden aan de pony. Ten aanzien van de kosten van de door appellanten verrichte werkzaamheden heeft verweerder overwogen dat ingevolge het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrechtspraak (Bpb) geen kosten voor eigen werkzaamheden worden vergoed. Daarnaast acht verweerder het niet aannemelijk dat appellanten naast de werkzaamheden van hun raadsman zelf ook nog € 3.887,50 uren arbeid effectief aan deze procedure hebben besteed. Het verzoek om vergoeding voor de gedane investeringen en gederfde inkomsten vanwege het niet kunnen starten van een manege na wegvoering van de pony, heeft verweerder afgewezen. Appellanten hebben volgens verweerder niet concreet aangetoond dat zij een manege wilden starten bijvoorbeeld aan de hand van een ondernemingsplan. De gestelde schade is volgens verweerder dan ook uitsluitend gebaseerd op de eigen inschatting van appellanten dat een manege geen kans van slagen meer zou hebben en hoe hoog het inkomen zou zijn geweest indien er wel een manege was gestart. De gestelde schade betreft daarom geen direct gevolg van het onrechtmatig genomen besluit.
€ 700,-. Verweerder heeft aan appellanten een hoger bedrag, namelijk € 1.550,- (de aanschafkosten van de pony) vergoed. Nu appellanten geen andersluidende taxatierapport hebben overgelegd of anderszins hebben aangetoond dat de pony meer waard was, bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder de waarde van de pony te laag heeft vastgesteld. De gemaakte kosten voor de aanschaf van onder meer de ruiteruitrusting, het gereedschap, het hout voor de staldeur, de voerbak en de paardendeken komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het door verweerder onrechtmatig genomen besluit.
Beslissing
mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.