Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
[naam 2] RA(betrokkene)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante stelde een klacht in tegen betrokkene, een openbaar accountant, over zijn handelen in 2008 en 2009, waaronder het niet verstrekken van een prognose 2009 en vermeende belangenverstrengeling. De accountantskamer verklaarde de meeste klachten niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in artikel 22 Wtra Pro gestelde termijnen, behalve het onderdeel over het niet delen van de prognose, dat ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij pas in 2013 door civiele procedure informatie kreeg die haar klacht rechtvaardigde. Het College oordeelde echter dat appellante al vóór 29 augustus 2011 redelijkerwijs had kunnen constateren wat zij betrokkene verwijt, mede door eerdere contacten met haar gemachtigde mr. Booij.
Ten aanzien van het niet delen van de prognose 2009 stelde het College vast dat betrokkene deze ten onrechte had ontvangen van een kantoorgenoot, maar dat hij op grond van de gedragscode een geheimhoudingsplicht had en niet verplicht was deze met appellante te delen. Appellante was immers formeel geen opdrachtgever van die prognose.
Het College concludeerde dat de accountantskamer terecht de meeste klachten niet-ontvankelijk verklaarde en het klachtonderdeel over het niet delen van de prognose ongegrond was. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de klacht tegen betrokkene wordt niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard.