Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2016 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats 1] , appellant,
17 september 2013 door appellant ingediend tegen
[naam 2] AA(betrokkene sub 1) en
[naam 3] AA(betrokkene sub 2).
Procesverloop in hoger beroep
28 april 2014, met nummers 12/2142 en 12/2143 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:37).
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Appellant komt in een grief allereerst op tegen de vaststelling van de accountantskamer in punt 2.3 van de bestreden uitspraak dat appellant op 20 januari 2012 heeft kennisgenomen van de (hiervoor in 1.5 vermelde) brief van 13 januari 2012. Appellant stelt dat betrokkene sub 1 deze brief naar [naam 7] en [naam 6] heeft gestuurd en appellant eerst, nadat hij hierover op 6 maart 2012 heeft gebeld, op 7 maart 2012 de brief heeft ontvangen. Volgens betrokkenen is de stelling van appellant juist, maar leidt dat niet tot een andere beoordeling van de klacht.
De klachtonderdelen 3, 4, 5 en 6 bevatten de volgende verwijten van appellant. Betrokkene sub 1 heeft in een bespreking met appellant in november 2011 toegezegd opnieuw een goodwillberekening op te stellen aan de hand van de Discounted Cash Flow-methode (DCF-methode), maar deze nooit gemaakt (klachtonderdeel 4), althans deze berekening, ondanks toezeggingen, nooit opgestuurd (klachtonderdeel 5). Betrokkene sub 1 heeft appellant op 18 januari 2012 meegedeeld die dag een goodwillberekening naar alle vennoten te e-mailen, maar hij heeft reeds op 13 januari 2012 die berekening aan [naam 7] en [naam 6] doen toekomen terwijl appellant zelfs op 18 januari 2012 geen berekening heeft ontvangen (klachtonderdeel 6). Betrokkene sub 1 heeft kennelijk om toestemming aan [naam 7] en [naam 6] gevraagd om de brief van 13 januari 2012 naar appellant te mogen doorsturen (klachtonderdeel 3).
(..).”